Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GROEP VALE VLEERMUIZEN IN WINTERSLAAP.

deze soort voor het eerst bij Maastricht heeft waargenomen, schrijft: „Commune dans les carrières de Maestricht en hiver”. Onderzoekers na hem, hebben wel het vermoeden geuit, dat de S e 1 y s-Longc h a m p s zich vergist zou hebben met de soort en de Kleine Hoefijzerneus heeft bedoeld. Toch lijkt me dit, voor een zoo’n serieuzen onderzoeker als hij was, uitgesloten. Het is zeer goed mogelijk, dat deze soort ten tijde van de verschijning van de Faune Beige (1842) talrijker is geweest in den St. Pietersberg en in de tweede helft van de negentiende en begin twintigste eeuw in aantal is achteruit gegaan en nu weer aan het toenemen is.

Wanneer men nu bij een bezoek aan de onderaardsche grotten van den St. Pietersberg de vleermuissoorten, die men ziet hangen, wil herkennen, dan kan bijgaande sleutel ter snelle oriënteering mogelijk dienst doen. Voor uitvoeriger gegevens verwijzen we nogmaals naar het werk van Eykman: „De Nederlandsche zoogdieren”.

De Hoefijzerneuzen zijn direct te herkennen aan de om het lichaam geslagen vlieghuid, terwijl het verschil in grootte zoo opvallend is, dat verwarring tusschen Groote en Kleine Hoefijzerneus is uitgesloten. Vooral in tochtvrije, lage gangen zijn deze soorten aan

Sluiten