Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dachtig en vond weldra een verklaring voor het mysterieuse geklop. Het geluid, dat mij zoo verschrikt had, werd veroorzaakt door de breekijzers der blokbrekers. Het is een bekend verschijnsel, dat zulk een geluid zich vrij goed door het vaste gesteente voortplant en op grooten afstand te hooren is, in tegenstelling met de voortplanting door de lucht der gangen, welke als ’t ware reeds op korten afstand gedempt wordt. Ik ging op de richting ervan af en vond een karrespoor, dat mij naar het onderaardsche werk voerde. Het duurde niet lang of ik ontdekte een vage schemering, afkomstig van de lampjes der werklieden.

Toen ik het werk zag, kon ik mijn oogen niet gelooven: hoog, boven op een soort platform, bevonden zich een tweetal ladders, op elk waarvan een man stond, die bezig was met het losbreken van een zgn. „stoel”, boven aan de zoldering. Twee anderen waren bezig met het zagen der blokken tot de bekende kleine „Canner-blokjes”. Een derde ladder stond tegen den wand en leidde naar het platform.

Een tijd lang sloeg ik vol bewondering deze menschelijke mieren, die daar in het half-duister werkten, gade. Wat een groot verschil bestond er tusschen deze werkwijze en die, welke de werklieden in de mergelgrotten van het Geuldal volgden! Ik moest daarvan het mijne hebben en de stoute schoenen aantrekkende, klom ik de ladder op. Toen ik op de verdieping was beland en de blokbrekers met een „goeie middag” begroette, bleven ze eenige oogenblikken sprakeloos; ze hadden mijn aanwezigheid in het geheel niet opgemerkt en bekeken mij nu of ze plotseling een geest uit de onderwereld zagen verschijnen! Nadat ze eenigszins van hun verbazing bekomen waren, vroeg een hunner: „Kump ste hei ’ns kieke jongenhier?”. Ik antwoordde, dat het onderaardsche bergwerk mij zoo bijzonder interesseerde. Het ernstig gezicht, dat ik hierbij trok, deed hen onwillekeurig lachen. „Biste al dèks1) in de berg gewees?”. Niet zonder eenigen trots vertelde ik hun, dat ik al in een aantal grotten van het Geuldal den weg wist, maar dat ik voor het eerst in den St. Pietersberg kwam. Deze laatste bewering wekte de algemeene verbazing op. „Pas mer op daste neet blijfs zitte!” „Gaank, Frans, zei zijn kameraad, dat is ’ne gebore berglouper”. Ik geloof werkelijk, dat mijn neus krulde bij dit compliment.

Vervolgens vertelden zij mij, dat ze hier in verdiepingen werkten en wel van boven naar beneden, soms tot drie verdiepingen toe. Nog

‘) dikwijls.

Sluiten