Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel meer vertelden de werklieden mij over allerlei, wat zich in den berg kon voordoen bij het werk.

Zoo deed ik dan mijn eerste les in den St. Pietersberg op, evenals ik door mijn vele bezoeken aan de onderaardsche werken in het Geuldal al veel van de werklieden had geleerd. Later heb ik ook vele malen de gangen van den St. Pietersberg doorloopen en ik ben daarbij evenvele malen onder den indruk gekomen van de zeer bijzondere sfeer dezer onderwereld.

De bekoring, die er van de onderaardsche gangen van den St. Pietersberg uitgaat, is buitengewoon groot. De aantrekkingskracht ervan berust voornamelijk op het geheimzinnige, het onbekende, dat hier tot den echten berglooper nog sterker spreekt dan elders.

Degene, die voor het eerst dit onmetelijk labyrinth bezoekt, zal onwillekeurig onder den indruk komen van de ondoordringbare duisternis, die er heerscht. Zelfs de donkerste nacht kan niet met dit troosteloos duister wedijveren; bij geregeld bezoek raakt men toch langzamerhand met die sombere sfeer vertrouwd en beweegt men er zich met een zeker gemak in, mits men over voldoende en betrouwbaar verlichtingsmateriaal beschikt.

In tegenstelling met de grotten van het Geuldal, het prachtige Romeinsche gedeelte in de Gemeentegrot te Valkenburg uitgezonderd, bereiken de gangen hier een groote hoogte, tot io a 12 meter, op een enkele plaats zelfs 15 meter! De hooge, grootsche gewelven, geschraagd door geweldige pilaren, waarop onze schaduw zich afteekent, de tallooze zijgangen, die ons als even zooveel spelonken aangapen, dit alles geeft bij eerste aanschouwing een huiveringwekkende en fantastische impressie. Het is dan ook geen wonder, dat deze beangstigende en drukkende sfeer van dezen macaberen doolhof in beschrijvingen van bezoekers wel eens de boventoon voert. Voor sommigen is in hun oogen de grot zelfs een oord der verschrikking, waar den vermetele, die er zich in waagt, een voortdurend gevaar dreigt; ja, ik heb zelfs personen gekend, die er zich voor geen geld ter wereld in zouden wagen. Ze zijn bang voor verdwaling, instorting en allerlei denkbeeldige gevaren. Vanzelfsprekend is dit sterk overdreven. Men moge in het begin dan ook aangegrepen worden door de vrees voor het onbekende, zooals reeds gezegd, wijkt deze bij een herhaald bezoek en men gaat zich dan inplaats van onbehaaglijk juist zeer behaaglijk gevoelen. Aanvankelijk onder betrouwbaar geleide en, wanneer men zich goed rekenschap geeft van alles, wat tot het leeren kennen van den weg noodig is, hoe eer hoe beter alleen, met de

Sluiten