Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nummers op de hoeken van gangen, afkomstig van in den berg verrichte metingen en aanduiding der kolommen met letters of cijfers trekken onze aandacht, evenals pijlen in alle richtingen en in ontelbaar aantal variaties geteekend, ieder afkomstig van een berglooper, die voor zichzelf trachtte de puzzle, om hier den weg te leeren kennen, op te lossen. De aanblik van dat alles is op ieder punt van den berg weer anders en men kan alleen reeds een nooit eindigende studie maken van alle onbegrijpelijke hiëroglyphen, alle leesbare en haast onleesbare namen en opschriften, welke ons in aanblik bekend, maar in beteekenis nog onbekend zijn.

Bij het verkennen van een gedeelte doet men het beste een bepaalde hoofdgang, die zich meestal door een karrespoor afteekent, te volgen en eerst wanneer men deze goed kent, de zijsporen te nemen, waardoor men zich de situatie van het gangencomplex beter gaat indenken. De eerste indruk vormt dus de weg zelf; daaraan paren zich langzamerhand de uiterlijkheden van de kolommen en alles wat daarop geschreven is. Op den duur wordt dit tot een direct herkenbaar geheel, zoodat men zich op ieder punt georiënteerd gevoelt. Veel dragen daartoe ook bij de aardpijpen, welke zich nog gevuld aan zoldering of wand afteekenen, of leeggestort maar al te goed herkenbare hindernissen op onzen weg vormen. Verder kunnen grillige vuursteenen, achtergebleven op den vloer of hier en daar nog uitstekend uit de overigens gladde wanden, wegwijzers op ons pad worden. Wanneer men met z’n tweeën als goede bergloopers aan het verkennen is, geeft men alles in het voorbijgaan vlug de te binnen schietende benamingen, knoopt daaraan opmerkingen vast over de oriënteering en het is dan een telkens terugkeerend genoegen voor den een of den ander orn,ineens, wanneer hij bemerkt weer op eenzelfde plek als tevoren bezocht te zijn uitgekomen, te zeggen: „kijk eens waar we zijn”. Weddenschappen worden daarbij aangegaan, welke meestal binnen enkele minuten hun beslissing vinden in een gelijk hebben van dengene, die hét vraagstuk opwierp, want hij had al lang een of ander herkenningsteeken in het vizier gekregen!

Een ervaren grottenkenner moet dus ten allen tijde een uitstekend opmerker zijn en blijven. Hij moet niet alleen de reeds eenmaal waargenomen dingen terugkennen, maar ook den aard van de gangen weten te herkennen, als zijnde van Romeinsche, middeleeuwsche of van latere herkomst. Hij moet de mergellagen kunnen onderscheiden en uit de sporen, welke de breekijzers der werklieden op zoldering en wanden achterlieten, kunnen lezen, in welke richting de

Sluiten