Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soms eerst nog goed, maar nauwelijks gingen ze dieper of daar kwamen die verdulde vuursteenen te voorschijn. Tot overmaat van ramp werd ook de kwaliteit van de steen steeds slechter. De mannen gingen aan ’t „foeteren”. Meermalen in hun leven waren ze op een slechte laag terecht gekomen, maar zóóiets hadden ze nog nooit beleefd. Telkens probeerden ze ’t weer op een ander punt en dan was ’t weer precies hetzelfde, ’t was om helsch te worden en er den moed bij te verliezen! Dat was monnikenwerk! Maar ’t ergste was nog, dat hun verdiensten, die toch al niet groot waren, sterk achteruit liepen en dat er in beide huisgezinnen gebrek dreigde te gaan heerschen.

Op zekeren avond waren ze nog laat aan ’t werk, toen Jan ineens ophield en zich ’t zweet van ’t voorhoofd vegende, tegen Louis zei: „Zèk Lewie, zoe geit ’t neet langer mèt ’t breke. Dat is gei werk, dat is duvelswerk”.

„Diech höbs geliek jong, mer wat wèlste dao aon doen?” antwoordde Louis.

Inplaats van te antwoorden richtte Jan zijn oogen strak op één punt en onwillekeurig volgden de blikken van zijn vriend de zijne.

In de gang, die naar hun werk leidde, naderde een buitengewoon lange gestalte. In de rechterhand droeg deze een fakkel, welke een schel licht verspreidde. Toen ze dichterbij gekomen was, zagen de mannen, dat ze in een lange mantel was gehuld; ’t gelaat was lang en bijzonder bleek, met breeden mond, waar een spotlach om scheen te zweven, terwijl de kin met ’n klein sikje was gesierd. De oogen fonkelden als twee vurige bollen en schenen als ’t ware te fosforesceeren.

Jan en Louis, die beiden voor geen kleintje vervaard waren, voelden zich bij het verschijnen van dien vreemden sinjeur echter alles behalve op hun gemak. Dat was geen gewoon mensch, het leek eerder een geest uit de onderwereld !

„Gooien aovend minse, sprak de vreemdeling, zeet geer nog zoe laat aon ’t werk?”

Die vreemde snuiter sprak zoowaar plat!

„Wiet geer zeet, Hier1)”, antwoordde Louis, die het eerst van zijn verbazing was bekomen.

„Jè, jè ’t vélt neet altied mèt. Veural este toujours door op zoen laog vuurstein terech kums”.

De beide mannen keken elkaar eens aan, alsof ze wilden zeggen, „hoe weet die vreemde snoeshaan dat nu!”

1) Zooals gij ziet, Meneer.

Sluiten