Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

punt van hen zou verwijderen, toonde hij hen nog eens het papier en zeide spottend, terwijl hij op de beide handteekeningen wees:

„Twie zielkes in eine slaag! Euver zeve jaor moot ger hei op dees zelfste plaots zien en dan zal iech, Satan, Prins van ’t duuster, eur ziele kriege. Salu, minse!”

„Verd.... onnöt, verraojer daste bis!”, schold Jan, die plotseling weer nuchter scheen.

„Sjouwen1) onnöt, verleijer!”, voegde Louis er op zijn beurt aan toe, terwijl hij, zijn vuist balde.

De duivel was echter reeds achter een pilaar verdwenen en liet zulk een spottende en hatelijke lach hooren, dat het de mannen op hetzelfde oogenblik toescheen of het bloed in hun aderen verstijfde.

Nadat ze eenigszins van schrik waren bekomen, moesten ze wel bekennen, dat de duivel hen leelijk te pakken had. Maar het ergste van alles was, dat ze hun zielen kwijt waren. Hun eenigste troost was nog de buidel met gouden dukaten en het goede bergwerk, dat ze in de toekomst zouden hebben, al woog dit niet op tegen de eeuwige verdoemenis. En gedurende hun uittocht uit den berg zwoeren ze een duren eed, dat ze dezen Satan op hun beurt zouden krijgen!

„Hoewel de beide mannen zich hadden voorgenomen om hun avontuur met den duivel voor een ieder te verzwijgen, was het geheele dorp reeds na een paar dagen van alles op de hoogte”, vervolgde mijn blokbleker zijn verhaal, na voor de zooveelste maal zijn uitgedoofde pijp te hebben aangestoken.

Hoe dat kwam? Wel heel eenvoudig: ze hadden ’t avontuur aan hun vrouwen verteld, op voorwaarde, dat zij er met niemand over spreken zouden! Kun je begrijpen! Ze konden ’t geheim niet op hun hart smoren en vertelden ’t aan een buurvrouw, die ’t op haar beurt weer onder het zegel der diepste geheimhouding verder vertelde.

Toen Jan en Louis hoorden, dat hun vrouwen ’t geheim verklapt hadden, waren ze hierover wel niet te spreken, maar ze vonden het achteraf toch wel interessant, want overal in ’t dorp was hun avontuur met den duivel ’t onderwerp van ’t gesprek. Een groot deel der dorpelingen beschouwde hen als verloren en hun zielen als eeuwig verdoemd ; anderen, dat waren de meer intieme kameraden en vrienden, vertrouwden, dat zij op hun beurt den duivel wel zouden beetnemen!

Intusschen had ook mijnheer pastoor van het geval gehoord en hij ontbood de beide blokbrekers op de pastorie. Ik geloof niet, dat

leelijke

Sluiten