Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

legd. Hij was bijzonder gehecht aan dit prachtig wapen, dat steeds bij alle gevechten dienst had gedaan. Hij wilde juist besluiten om het te verpanden, toen een hevige bons op de poort allen deed opschrikken. Waarschijnlijk was het een laten bezoeker, die nog om nachtverblijf kwam vragen. Eenige oogenblikken later werd een monnik binnengeleid, een eerbiedwaardige verschijning.

Toen de ridder den monnik gewaar werd, begon hij hem te bespotten en sprak:

„Ik ben van plan om eerst mijn zwaard en vervolgens mijn ziel te verdobbelen. Bent U het daarmee eens, heilige man?”

De monnik, die wel bemerkte, dat de man door drank beneveld was, antwoordde:

„Edele Heer, het leven is slechts kort en het hiernamaals eeuwig. Gebruik het leven dus goed, want ook Uw uur kan spoedig slaan. Heden nacht om twaalf uur zal ik voor Uw ziel bidden. Bekeer U voor dat het te laat is. Moge de H. Maagd U bijstaan!”

Eenige oogenblikken bleef de ridder sprakeloos, maar toen hij tot bezinning kwam, kende zijn woede en verontwaardiging geen grenzen. Hij zou die onbeschaamde indringer wel eens leeren!

De monnik was echter spoorloos verdwenen.

Dit prikkelde zijn woede nog meer. Hij, die hel noch duivel vreesde, zou zich door het gewouwel van een bedelmonnik laten intimideeren! Hij beval zijn knecht om onmiddellijk zijn paard te zadelen.

Donkere wolken hadden zich opgestapeld, de atmosfeer was drukkend geworden en een zwaar onweer was in aantocht.

Reeds doorklieven de eerste bliksemstralen de donkere hemeltrans. Tevergeefs trachten zijn vrienden hem te weerhouden. De onversaagde ridder bestijgt zijn ros en drukt het de sporen in de flanken, tot bloedens toe. Op hetzelfde oogenblik verlicht een verblindende bliksemstraal heel den omtrek, onmiddellijk gevolgd door een knetterende donderslag. Het paard schrikt en jaagt als razend voort, maar de ruiter blijft in het zadel zitten.

Bij stroomen gutst de regen neer, fantastisch worden de beboschte hellingen telkens door de bliksemstralen verlicht. Steeds gaat het voort, man en paar gelijken, te midden der ontketende elementen, op een spookverschijning. Eensklaps staat het fiere strijdros pal. Hoe de ridder ook aan de teugels rukt en trekt, het helpt hem niets. Bij het licht van een bliksemflits ziet de ruiter ineens, dat hij zich aan den rand van een peilloozen afgrond bevindt, in welks diepte

Sluiten