Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een woeste stroom bruist. In zijn verwarring schijnt het hem toe of afzichtelijke gedaanten uit de diepte opduiken en hem met geweld in den afgrond willen sleuren. Hij herinnert zich de waarschuwing van den monnik; zou dit het begin van het einde zijn? Hij, die steeds als overwinnaar uit het strijdperk op alle steekspelen is getreden, waaraan hij heeft deelgenomen, hij, die steeds zijn vijanden heeft verslagen, hij, die als een echte Don Juan in zijn leven ontelbare vrouwenharten heeft veroverd, hij die nimmer angst heeft gekend, staat hier als verslagen. In een ondeelbaar oogenblik ziet de slotheer dit alles voor zich, doch vergeet, dat hij zich aan God noch gebod stoorde.

Het noodweer neemt nog in hevigheid toe; de bliksem is niet meer van de lucht. Het dondert, davert en ratelt, de wind giert en huilt, de geheele natuur schijnt ontwricht.

En hij, de nietige mensch, te midden der losgebarsten elementen, voelt zich thans eenzaam en verlaten. Voor het eerst in zijn leven siddert de onoverwinnelijke ridder die nimmer angst heeft gekend! Heeft hij het kostbare leven, dat de Schepper hem schonk, niet verbrast in losbandigheid en heeft hij wel iets goeds gedaan? Opeens walgt de ongelukkige van zijn vroeger leven en zou hij wel alles willen doen om het ongedaan te maken!

Voor het eerst sinds zijn jeugd wil hij weer bidden, maar hij kan zich de gebeden niet meer herinneren. „Ave Maria”, roept hij in zijn doodsangst.

Een daverende donderslag weerklinkt; dan valt plotseling een stilte in en temidden daarvan begint een klokje te beieren. Teer klinken de toonen van het angelus voor middernacht door de duisternis.

De tot inkeer gekomen ridder heeft berouw over zijn vroeger zondig leven en voelt zich tot in het diepst van zijn ziel bewogen. Zijn edel ros keert zich plots om en rent dan in wilden galop verder; in razende vaart gaat het langs diepe kloven, langs bosschen en velden, weg van de onheilsplek. Als de laatste klank van het klokje wegsterft, staat hij voor de ingangspoort van het klooster der Observanten. Op zijn herhaald geklop opent een broeder tenslotte de deur. De ridder verzoekt toegelaten te worden, vertelt aan de broederoverste zijn wedervaren, belooft zijn leven te zullen beteren en smeekt zijn laatste jaren in boetedoening in het klooster te mogen doorbrengen, wat hem wordt toegestaan.

Sluiten