Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waar gaan jullie zoo vroeg op af?”, vroeg ze nijdig, toen ze bemerkte dat de mannen haar uitlachten.

„Een reisje naar de maan maken”, was het spottend antwoord.

„Pas maar op, dat jullie nog terugkeert”, mompelde de heks, terwijl ze in een zijgang verdween.

„Dat waor eine gooie leefste veur diech, Zjeng”, spotte de oudste.

Al schertsende drongen de boeren steeds dieper in de ingewanden van den berg door en dachten al niet meer aan de venijnige woorden van het mensch: de grot verschafte somtijds onderdak aan allerlei slag van zwervers, tot zigeuners toe, die er een gratis logies vonden. Na geruimen tijd te hebben gezocht, vonden ze eindelijk een geschikte plaats. Toen ze de noodige opmetingen hadden gemaakt, besloten ze den terugtocht te aanvaarden, en den volgenden dag met de aanplantingen te beginnen. Nadat ze de omgeving nog eens scherp hadden opgenomen, bemerkten ze eerst tot hun schrik, dat ze zich in een voor hen totaal onbekend gedeelte bevonden en bijgevolg verdwaald waren.

Ten einde raad, besloten ze maar een gang te volgen, die naar hun meening op een hoofdgang moest uitloopen. Weinig vermoedden de verdwaalde boeren, dat ze steeds dieper den berg indrongen.

Het flikkerend licht wierp hun onheilspellende schaduwgestalten op de gele mergelwanden. Voortdurend kruisten de gangen elkander, aan beide zijden lagen galerijen, welke zich op hun beurt weer vertakten tot oneindige grottenreeksen. In den vloer kon men duidelijk de diepe voren van ’t vroegere karrenspoor waarnemen, de wanden vertoonden nog de gleuven, welke de wielnaven er hadden achtergelaten.

Een tijd lang volgden de verdwaalden dit karrespoor, dat hun oneindig toescheen, toen ze plotseling bemerkten, dat de gang aan het eind doodliep. Hun verslagenheid was groot, want nu werd het een wanhopend zoeken.

Tot overmaat van ramp ging het laatste eindje kaars uit, nog één stuiptrekkende flikkering van het stervende vlammetje, toen werd de geheele omgeving gehuld in de ondoordringbaarste duisternis.

Deze plotselinge lugubere donkerte vervulde hen met afgrijzen, angstig tastten zij langs de kille mergelwanden. Geen geluid drong tot hen door: hier heerschte slechts oppermachtig en in al haar verschrikking de stilte des doods. Het kwam hun voor dat zij voor goed van de buitenwereld waren afgesloten.

Telkens struikelden de ongelukkigen over mergelklompen en vuursteenen of zakten ze somtijds plotseling in een vrij diepe kuil

Sluiten