Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg; ijzingwekkend klonk hun hulpgeroep, dat gesmoord werd tusschen de wanden der massieve pilaren.

Het weinig voedsel, waarover ze beschikten, was weldra opgeteerd, met afgrijzen zagen ze reeds in hun verbeelding het afzichtelijke hongerspook naderen. Dit visioen werkte zoo ontstellend, dat ze tot eiken prijs den uitgang wenschten te bereiken.

Zóó doolden de armzaligen drie dagen in de oneindigheid van de spelonken en grottenreeksen rond, bij tusschenpoozen rustende, tot ze ten slotte geheel uitgeput geraakten. Niettegenstaande hun verschrikkelijk lijden, bleef hen nog een laatste sprankje hoop over: hun lang wegblijven zou onwillekeurig de opmerkzaamheid van hun familie, vrienden en kennissen trekken, zoodat ongetwijfeld binnenkort hulp zou komen opdagen.

Doch de verwachte hulp bleef uit en hun toestand werd steeds critieker.

Ten laatste kon een hunner niet verder meer. Hij was aan ’t eind van zijn krachten, zonk uitgeput ter aarde en verloor ’t bewustzijn. Zijn beide makkers, die hem onmiddellijk te hulp kwamen, constateerden echter tot hun schrik, dat hij inmiddels reeds gestorven was.

De dood van hun vriend deed hen ten volle beseffen, welk verschrikkelijk lot hen wachtte: ook zij bevonden zich thans in den noodlottigen greep van den onverbiddelijken dood.

Een weinig later begaven zich eveneens de krachten van een der beide overgeblevenen en zeeg hij neer op korten afstand van zijn reeds gestorven kameraad.

Half waanzinnig van smart en angst strompelde de sterkste nog eenige gangen verder, totdat ook hij volkomen uitgeput neerstortte.

Eerst vele jaren later vond men de als mummies verschrompelde lijken der op zulk een tragische wijze omgekomen boeren met het aangezicht op den grond liggende en den rozenkrans in de hand...

In zijn „Promenades dans les environs de Visé” geeft Caumartin een soortgelijke beschrijving in zeer beknopten vorm, die op een paar punten eenige overeenkomst met de hier gegeven vertoond, met dit verschil echter, dat eerstgenoemde een humoristische strekking heeft.

In het aardige boekje „Twee uren in de onderaardsche gangen van den St. Pietersberg” door X., te Maastricht, geeft deze hiervan een vertaling, welke ik hier laat volgen:

„Drie boeren, die een beetje onder den invloed van het oudMaastrichtsch bier gekomen waren, volgden in een duisteren avond-

Sluiten