Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stond, den weg nabij Lichtenberg, die naar de bergvlakte en vandaar naar Canne voert.

Toen zij in ’t boschje waren aangekomen, volgden de twee eersten gelukkig den goeden weg, maar de laatste kwam terecht in het voetpad, dat naar de steengroeve leidt. Eenmaal daar binnen geraakt, volgde hij, rechts en links voortstrompelend en zonder’t te vermoeden, de eerste gaanderij die hij ontmoette. Het eenige, wat hem opviel was, dat zijn vrienden onbeschoft genoeg waren van hem niet te antwoorden en dat hij niet één enkele kroeg vond om zich te ververschen.

Eindelijk uitgeput door het gaan en zwaar geworden door den drank, legde hij zich neer op een hoop zand, die voor hem een zeer mollig bed werd.

Ik laat u denken, hoe ’s anderendaags morgens de arbeiders ontstelden, toen zij een man vonden, die daar op het zand, dat zij kwamen wegnemen, den slaap zagen ingesluimerd, en hoe verbaasd de boer opzag, die eensklaps door het licht der flambouwen wakker geschud, zich verbeeldde, evenals de dronkaard van Lafontaine, dood te zijn en in de onderwereld te zijn neergestort.

Men volgde het spoor zijner stappen en zag, met verbazing, dat de ongelukkige uren lang, oude verlaten gaanderijen had doorloopen, wier dikke stoflaag gedurende eeuwen geen anderen indruk had ontvangen dan die zijner schreden.”

DE BOOZE FREULE TE CANNE.

Te Canne, een schilderachtig dorpje in het Jekerdal, verhief zich lang geleden, boven een der ingangen van den St. Pietersberg, een prachtig kasteel. Met zijn hooge torens en tinnen scheen het trotsche slot den geheelen omtrek te overheerschen.

Deze imposante burcht werd bewoond door een freule, die bekend was om haar buitengewone hardvochtigheid. Tevergeefs klopten de armen bij haar aan, milddadigheid was haar vreemd. Niettegenstaande de opvallende schoonheid der slotvrouw, had geen der ridders uit de naburige kasteelen de stoutmoedigheid om naar haar hand te dingen; men kende haar ongenaakbaarheid en meedoogloosheid maar al te goed! Het was, alsof zij, hoewel van voorname geboorte en uit een oud-adellijk geslacht gesproten, in de kringen van de gemoedelijke en minzame Limburgsche adel niet thuis hoorde. Zij spotte met alles, wat heilig was en zette nimmer een voet in de kerk. Meermalen had de pastoor getracht om haar tot andere

Sluiten