Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erover zijn niet meer dan een relaas betreffende een enkel bezoek en zijn daarbij opgedane indrukken, aangevuld met wat hij van zijn begeleiders, de bij name genoemde Fransche generaals en eenige andere militairen, vernam. Het is zeker jammer, dat F a u j a s niet critischer tegenover de onderaardsche wereld van den St. Pietersberg heeft gestaan, wat men uit hoofde van zijn functie als inspecteur van de mijnen wel van hem had mogen verwachten. In dit verband is het ook jammer, dat zijn bezoek niet een jaar later heeft plaats gehad en dat hij blijkbaar tijdens de voorbereiding van zijn boek, in de jaren 1795-1798, geen verder contact met de genieofficieren heeft gehad; wanneer dit wel het geval ware geweest, zouden wij ongetwijfeld aan hem belangrijker beschrijvingen van de onderaardsche gangen te danken hebben gehad. In het jaar na zijn bezoek hebben de Fransche militairen, vooral de chef van de brigade Lagastine en kapitein H o u r i e z, met hun helpers het noordelijk gangenstelsel aan een zeer nauwkeurig onderzoek onderworpen. Op grond hiervan maakten zij hun plannen om deze gangen voor allerlei doeleinden nuttig te gebruiken, in verband waarmede zij de bekende mooie en zeer nauwkeurige plattegrond van het noordelijk gangenstelsel samenstelden. Zij zouden, indien deze bij F a u j a s’ bezoek reeds gereed geweest was, aan dezen zeker de noodige gegevens hebben kunnen verstrekken om hem een beter inzicht te geven in ontstaanswijze en aard van de gangen, dan hij in 1795 heeft verkregen en waarvan zijn boek in 1798 getuigt.

Men houde hierbij in het oog, dat de verdienste van F a u j a s, ten aanzien van zijn natuurhistorische beschrijvingen, hierdoor niet in het minst wordt aangetast.

Het boek van Faujas werd in 1802 door Pasteur in het Nederlandsch vertaald (zie blz. 53).

Met Bory de St. Vincent komen we in 1816-1821 bij een zeer verdienstelijk waarnemer van de onderaardsche gangen; zijn „Description de Plateau de St. Pierre”, evenals zijn boek „Voyage souterrain”, moet men eigenlijk opvatten als de eerste uitvoerige en tamelijk volledige publicatie over de grotten van St. Pieter. Vermoedelijk zal dit wel zijn oorzaak daarin vinden, dat hij de eigenschappen van generaal, geograaf en natuurkenner in zich vereenigde. Reeds op zijn 22e jaar, in 1800, nam hij deel aan een wetenschappelijke expeditie. Na den val van Napoleon werd hij verbannen en week hij uit naar België; als gevolg daarvan komt hij op zijn doorreis te Maastricht en doordat hij genoodzaakt is buiten de stad verblijf te houden,.

Sluiten