Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en had hij zich geheel met de situatie der gangen zelf vertrouwd kunnen maken, dan waren zijn beschrijvingen zeker zoodanig geweest, dat er nog heden ten dage niet veel aan toe te voegen zou geweest zijn. Bij zijn korte aanschouwingen en ook zijn onbekendheid met de oude Fransche plattegronden en rapporten is de ware uitgestrektheid en samenhang der gangen hem niet volledig duidelijk geweest. De uit eigen ervaring opgedane volledige kennis van de horizontale situatie (B o r y had zoo’n juist inzicht in de verticale situatie!) geeft eigenlijk pas een zoo goed mogelijk begrip van het gangenstelsel in zijn geheel; daardoor merkt men er vele dingen in op, die door hun onderling verband het inzicht in geschiedenis en wezen der gangen kunnen verhelderen en anders niets te zeggen hebben aan dengene, die ze waarneemt.

Vooral de beschrijving en nadere uiteenzettingen, welke B o r y, in aansluiting aan de eerste publicaties over de aardpijpen (van M a t h i e u) gegeven heeft, zijn van belang. Daarnaast is het een bewijs van zijn veelzijdigheid, dat hij ons in zijn boeken een goed overzicht heeft gegeven van den plantengroei op den berg in het begin van de 19e eeuw.

In de twintiger jaren van de vorige eeuw hebben J. van Renesse en W. H. Warnsinck beschrijvingen van de gangen gegeven, op grond van bezoeken, die zij onder geleide van een gids, er aan brachten. De eerstgenoemde geeft zijn indrukken weer in briefvorm, gericht aan een vriend. „Kunt gij het gelooven”, schrijft hij, „dat vele Maastrichtenaars er niets meer van weten, dan van hooren zeggen?” en hij zegt hoe „de schijnbare onverschilligheid van verre het grootste gedeelte der Maastrichtenaren omtrent een verschijnsel, bijna eenig in zijn soort”, te verklaren is omdat „alleen het vreemde de nieuws- en weetgierigheid opwekt”; zoodoende weten menschen van elders er meer van dan de bewoners zelf. Wat heeft een eeuw van vooruitgang in weten en kunnen hier gebracht... ?

De gids, die den schrijver rondleidde, had reeds 36 jaren lang als zoodanig gediend; zijn vader was hem daarin 50 jaren en zijn grootvader 68 jaren voorgegaan. Dit is ongetwijfeld de bekende gidsenfamilie D o r 1 o geweest. Intusschen geven zoowel de beschrijving van van Renesse als die van Warnsinck blijk, dat er toen veel verteld en door de bezoekers voor waar werd aangenomen, wat absoluut onjuist was en vermoedelijk aan de fantasie der gidsen ontsproot!

VanderMaelen geeft in 1835 in de „Dictionnaire geogra-

Sluiten