Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fique du Limbourg” slechts enkele korte mededeelingen over de gangen.

Voor het eerst maken de onderaardsche gangen van den St. Pietersberg het onderwerp uit van een literair opstel in 1848, toen van Koetsveld (1807-1893) een romantische beschrijving gaf van een verdwaling in den berg, waarin hij een werkelijk gemaakte tocht en verdichting dooreen mengt; het is een verhaal met een dieperen geestelijken achtergrond. De schrijver is de predikant C. E. van Koetsveld (de latere hofprediker, die Koningin Wilhelmina nog heeft gedoopt). Hij schreef in 1848 bij zijn bezoek aan den berg in een der gangen op den wand: „De Grot ademde ons de koude van het graf te midden van een heeten zomerdag tegen. Vrij mocht de ingang openstaan, de vreeze des doods keerde hier als de hechtste ijzeren poort eiken oningewijden af.”

Op literair gebied kunnen we hier het gedicht van Dr. M. S m i e t s vermelden, na zijn dood in zijn verzamelde dichtwerken uitgegeven. Voorts het jongensboek „Willem Roda” van E. H e im a n s, waarin een gedeelte in Zuid-Limburg en speciaal in den St. Pietersberg speelt.

In zijn bekende boek over de geologie en paleontologie geeft van den Binkhorst in 1859 een inleiding, waarin hij ook de onderaardsche gangen beschrijft en o.a. vergelijkt met die, welke men in de Belgische provincie Brabant aantreft bij Folx en Jauche, onder het Bois des Caves. Van belang is wat de schrijver zegt over den vermoedelijken ouderdom der gangen. Ook hij wijst er reeds op, dat de wijze, waarop de gangen bij Slavante zijn uitgezaagd, doet vermoeden, dat de Romeinen hier gewerkt hebben en mogelijk met het maken der gangen zijn begonnen.

In 1863 verscheen bij L. Polis, firma Leiter-Nypels, een boekje „Deus heures dans les souterrains de la Montagne St. Pierre”, par L. O. De juiste naam van dezen schrijver, die het boekje vermoedelijk voor dengene, die destijds de onderaardsche gangen voor het vreemdelingenbezoek exploiteerde, heeft samengesteld, is wel eens aangeduid als L. O d e n k e r k e n. Als de gids voor den berg wordt erin vermeld Francois Eberhard, opvolger van zijn schoonvader G. Courtens, namen, die we uit de onderaardsche gangen al kennen, waar we deze op vele plaatsen op de wanden opgeteekend vinden. Het is een lezenswaardig boekje, dat blijk geeft door iemand te zijn samengesteld, die wat anders wil bieden dan wat de gidsen in den regel aan de bezoekers vertelden. Daardoor heeft hij ongetwij-

Sluiten