Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feld ook goede voorlichting aan de gidsen zelf gegeven en een dienst bewezen aan het vreemdelingenverkeer. Toch ontkomt hij ook niet geheel aan de greep der eenvoudige gidsen, waar hij over de versteende boomstam schrijft, over precies 100666 gangen, welke men in den berg zou kunnen vinden en over het bezoek aan den gang, waarin het fossiel van den Mosasaurus gevonden zou zijn. Ook de volgorde, waarin hij allerlei plaatsen in den berg beschrijft, duidt er op, dat hij ook veel van hooren zeggen heeft. Van dit boekje zullen in de zestiger jaren wel veel exemplaren in omloop zijn geweest; in 1869 verscheen een tweede druk, waarvan de schrijver X. wordt genoemd. Daarvoor is wel aangewezen G. D. F r a n q u i n e t. Er verscheen ook een Nederlandsche vertaling van en het is merkwaardig, dat men het boekje thans nog maar hoogst zelden aantreft.1)

De latere publicaties over de gangen zijn óf eenvoudige beschrijvingen naar aanleiding van bezoeken aan den berg (Harting, van de Stadt, van der Steen, Röntgen) óf houden verband met publicaties op wetenschappelijk terrein (Ubaghs, de B r u y n).

In 1906 verschijnt voor ’t eerst een met foto’s geïllustreerde beschrijving van den St. Pietersberg, welke als gidsje voor de bezoekers is bedoeld. Het is van de hand van H. Knippenberg en behandelt, wat de onderaardsche gangen betreft, voornamelijk dat gedeelte, hetwelk bij Slavante aan de vreemdelingen werd getoond. Voornamelijk alles, wat voor dit vreemdelingenbezoek zijn diensten bewees en te dien einde was aangebracht, werd hier naar voren gebracht. In 1912 verschijnt een boekje, dat als 2e druk ervan kan worden beschouwd (bij C. L. Goffin).

Wanneer in veel later jaren WillyVersterenik het voor de onderaardsche gangenwereld opnemen, is dat uit zeer verschillend oogpunt: hij, als de van jongs af aan hartstochtelijke grottenlooper, kan over zijn bevindingen als zoodanig niet zwijgen. Voor ’t eerst is met hem, in zijn boekje „De Zuid-Limburgsche grottenwereld”, iemand aan ’t woord, die zelf de grotten door en door kent in hun eigenaardige situatie. In 1929 doe ik zelf mijn intree in de duisternis van den berg met een nuchter, technisch doel. De berg stelt

*) Er zijn mij maar enkele exemplaren bekend: van de le druk in de Gemeentelijke Bibliotheek te Maastricht, van de 2e druk in de bibliotheek van het Natuurhistorisch Genootschap te Maastricht en in het bezit van Mr. E. M. C. B. Franquinet te Utrecht; van de vertaling één exemplaar in het bezit van Willy Verster te Breda.

Sluiten