Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze regel enkel als een gebruiks-gewoonte, die „essentieel vrijheid laat, bij tijgerinnen en leeuwinnen legt hij, als die beesten bijten, zich, met een restrictie zoals we zagen, op. En, bij het gebruik van persoonsnamen legt de regel zich, met dezelfde restrictie, ook op. Dus, de regel laat, ook „logisch beschouwd, toch uitzonderingen toe. Men denke aan ons sprookje.8) Ondertussen, dat 'n logist niet om sprookjes denkt is vergefelijk, voor 'n linguist echter zou dit ’n onvergefelijke fout zijn.

Dan verder: nemen we eens 'n transitief werkwoord in precies dezelfde „logische” verhoudingen van object en subject als: a sloeg b, maar in 'n beetje andere verhouding van quantiteit: „De tijgerinnen beten de leeuwin”. Is er nu een „wesentliche uitsluiting der mogelijkheid: „De leeuwin beten de tijgerinnen”? Dat zal niemand beweren. En dan hebben we hier nog een dubbele quantiteits-verandering aangebracht; één enkele echter is al reeds voldoende om de essentiële vrijheid, die tussen de zins-delen heerst, weer tot uitdrukking te brengen: „De burgers sloeg de soldaat, maar de militairen stak hij met z n bajonet.

Natuurlijk, dit alles doet aan de „gebruikelijkheid” van de volgorde met het subject voorop niets af, maar het leert ons toch wel overtuigend, dat aan de „logische* noodzakelijkheid, die inderdaad soms bestaat om het subject voorop te plaatsen, vanuit de taal geen „systematische”, laat staan ’n „grammatische ’, noodzakelijkheid beantwoordt.

En nog een tweede feit begint nu voor ons grote waarschijnlijkheid te krijgen: het onderscheid tussen transitieve en intransitieve werkwoorden is in de nederlandse grammatische systematiek „toevallig”, het is niét „essentieel”, het komt niet voort uit de immanente grammatische wetten die de opbouw der taalstructuren beheersen, doch het uit zich biydie opbouw als een zekere regelmatigheid, op grond van het feit, dat de grammatische structuren in het taal-gebruik moeten worden aangepast aan de wetmatigheden van het niet-grammatische denken. Het onderscheid constitueert een grammatische gebruiksregel, meer niet: de grammatische systematiek, die zich in het „werkwoord kan openbaren, levert voor het verschijnsel der transitiviteit en intransitiviteit geen bestaansgrond en dus geen verklaring.

De feitelijke verschijnselen der transitiviteit en intransitiviteit berusten op ’n wetmatigheid die niet in het grammatische systeem

Sluiten