Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overal waar zij kwamen was de ziekte hen voor geweest. Ook zieken waren meegeloopen, maar niet ver. Vanuit het land van de Moezel tot hier lagen de wegen vol met menschen die met zwarten open mond naar een graf wachtten.

— De Moezel, vroeg Johan, is het daar niet dat de schoone stad Trier ligt?

Ja, daar was het. En uit die groote vallei was zij gekomen. Zij keek met verre oogen.

Maar zij zou niet terug willen. Zij was hier goed. Zij had een hut en een man en zij was rustig.

Zij werkten samen over den grond die zij, tusschen heide en wei, tot den eersten oogst hadden voorbereid; zij gingen samen met koe en geit naar de meerschen en lagen er zwijgend te staren naar den hemel over de dorpen en hoorden er de klokken van klooster en dorpskerk. In den avond waarop het zoo stil was als had het licht het luttele gerucht meêgenomen, zaten zij voor hun hut. Hij had haar geleerd de melk met zacht dwingende vingers uit den gespannen uier te halen, en het was voor beiden een genot waarover zij niet spraken, telkens als de fijne straal met zoeterigen reuk de houten kom vervulde.

Sluiten