Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij waren sterk en gezond, groot gewassen. Het haar van de vrouw was niet langer dor en dof; het was rijk en welig nu, hoogblond boven haar frisch gezicht. En hij was pezig en mager, van die magerte die een scherp gezicht geeft en dunne beenen, met een lijf waar de spieren ongehinderd werken. En zij waren tevreden.

Zij hadden niets te verbergen voor elkaar. De menschen rondom hen waren weggevallen. Oorlog en ziekte hadden in de zorg voor het lijfsbehoud familie en gezin doen vergeten. Daar spraken zij soms over als iets dat niet meer bestond. Zij hadden genoeg aan elkaar.

De soldaat, die door schoone landouwen had gemarcheerd naar tuchtiging of gevecht, voelde nu voor het eerst hoe de aarde een levend en groeiend geluk kan zijn; hij neep soms een aardklont, vochtig van dauw of regen, in zijn harde vingeren en snoof den geur die niet met woorden te zeggen is; hij nam een groene twijg in den mond en proefde het sap van het hout en de nerschheid van de schors. En ook zij die op haar tocht van honger en geeseling in het stof van de wegen en de angst voor ziekte en God door de dalen vol bloemen, langs de rivieren met lisch en

Sluiten