Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen brulden de boeren in ontzaglijke vreugde.

De heer Jan van Sombeke hoorde het in zijn kasteel en vroeg wat het gebrul beteekende en dat de vlegels zouden worden verjaagd; hij wilde rust hebben en onverstoord zijn avondmaal genieten.

De knecht die was uitgezonden kwam terug dat er vele boeren verzameld waren die zongen en luisterden naar een man die tusschen fakkels zonderlinge praat verkocht en zei dat de heeren moesten verjaagd worden.

De heer nam tien gewapende knechten met zich, en over de neergelaten slotbrug ging hij de menigte tegemoet die het vreemde lied zong van den boer Niklaas.

— Gaat naar huis, riep heer Jan van Sombeke, gaat werken, lui vee. En gij, kerel, met uw apengezicht tusschen de twee kandelaars, laat het prediken over aan de pastoors of ik laat uw achterwerk streelen.

De boeren weken gedwee achteruit maar toen kreeg Niklaas nieuw geweld in adem en woorden en hij riep uit:

— Wee hem die den arbeidenden man veracht en beleedigt. Wee hem die de oogsten vernielt waaraan de boer de kracht van zijn leven schenkt; wee hem die over de akkers

Sluiten