Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Dan moeten de heeren vergaan, want zij laten het zwaard nooit in de scheede, riep de soldaat Johan heftig uit, dat was tenminste één waarheid die de boer Niklaas verkondigd heeft.

— Kameraad, vroeg hij aan den vreemde, welken naam geven de heeren bij u aan den boer?

— Zij zeggen „hond" en de boeren noemen zich zelf ,,de arme lieden".

— Hier roepen zij ,,vilain", zei de soldaat Johan, en dat is geen woord dat een boer begrijpt en het is des te leelijker.

— Dat komt van het latijn, zei pater Bruno.

— Latijn is voor paters, zei Johan, maar Dietsch is voor de boeren. En zelfs dat is te gemeen voor de heeren, want zij zijn vreemd van bloed of vreemd van kweeksel. Kameraad, zing nog eens het lied van de Duitsche boeren.

Door den avond bromde het lied van de ellende van den boer.

Onder de boeren zat een man zonder ooren. Zelfs pater Bruno vroeg niet hoe het gekomen was. Het jachtrecht had dit paar ooren gevergd; zij waren de prijs van een haas. Hij had steeds met geduld zijn verlies gedragen en niemand had hem beklaagd. Het was zoo

Sluiten