Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVERWEGING IN NEDERLAND VAN VERDERE VOORBEREIDING

regeling van het bestuurswezen in Nederlandsch-Indië bedoelde Europeesche ambtenaren, bestemd voor de uitoefening der algemeene bestuursleiding, zouden hebben te voldoen, was ik voorts tot lid van die commissie benoemd i).

Met de vervulling van die taak werd de meeste spoed gemaakt. Toen dan ook in het hiervóór besproken Voorloopig Verslag der Tweede Kamer van 7 Juni 1912, betreffende de verdere voorbereiding der bestuurshervorming was opgemerkt, dat men toch wel allereerst bedacht diende te zijn op het aanbrengen van verbetering in de bestuursopleiding en — in tegenstelling met den algemeenen aandrang tot spoed — de Minister op dat punt blijkbaar geen haast had, kon de Heer De Waal Malefijt in zijne Memorie van Antwoord (blz. 2) mededeelen, dat bereids bij beschikking van 18 September van het vorige jaar eene commissie tot dat doel in het leven was geroepen en niet, „eerst kort geleden", gelijk in het Verslag was gezegd. Voorts, met waardeering van de door de commissie betoonde voortvarendheid, dat deze reeds in de maand December d. a. v. haar rapport met bijbehoorende voorstellen had ingediend, hetwelk nevens de Memorie van Antwoord aan de Kamer ter kennisneming werd aangeboden en waaromtrent inmiddels het advies der Indische Regeering was ingewonnen 2).

Bij Koninklijk besluit van 16 Januari 1913 No. 39 volgde mijne aanwijzing voor den hooger bedoelden arbeid.

Bij artikel 1 daarvan werd ik op een nader door den Minister van Koloniën vast te stellen tijdstip ter beschikking van de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië gesteld, ten einde als „Regeeringscommissaris voor de reorganisatie van het bestuurswezen onder diens rechtstreeksche bevelen te worden belast met de werkzaamheden tot voorbereiding eener hervorming van dien tak van dienst daar te lande.

1) De verdere samenstelling was de volgende. Tot lid en voorzitter was aangewezen Dr. C. Snouck Hurgronje, Hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Tot leden waren benoemd de Hoogleeraren van die Rijksuniversiteit Mr. C. van Vollenhoven, Mr. J. H. Carpentier Alting en Ch. van Ophuysen, de Hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam Dr. H. Bavinck, Professor J. M. L. Keulier van het Bisschoppelijk Seminarium te Roermond en de Heer C. J. Hasselman, laatstelijk Inspecteur voor de landelijke inkomsten en verplichte diensten in Nederlandsch-Indië. Als secretaris werd de commissie bijgestaan door Mr. Dr. J. J. Boasson, Commies bij het Departement van Koloniën.

2) Bij Koninklijk Besluit van 17 Juli 1922 N. 35 (Ned. Stsbl. No. 453, Indisch Stsbl. No. 650) heeft het vraagstuk der opleiding voor het Europeesch Bestuur in Indië inmiddels nader regeling gevonden in den vorm eener opleiding op academischen grondslag.

Sluiten