Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WETSONTWERP VAN DEN MINISTER PLEYTE (1918)

ambtenaar, die als voorzitter van het vertegenwoordigend lichaam en uitvoerder der besluiten daarvan de provinciale aangelegenheden zou beheeren, de beschikking zou hebben over de provinciale geldmiddelen en eveneens die over de provinciaal te ordenen bijzondere diensttakken. Voor dat nieuwe ambt was gedacht aan den titel: „Landdrost", die vroeger reeds op Java en andere Nederlandsche koloniën gebruikt was 1).

Wat het plaatselijk bestuur betrof, zou — ondergeschikt aan den „Landdrost" — over twee of meer regentschappen een Europeesch ambtenaar met den ambtstitel „Drost" worden aangesteld, niet om in de regentschappen te besturen, maar om leiding te geven aan en toezicht te houden op het regentschapsbestuur. Zijn gebied zou heeten: „afdeeling". Ten einde van zijn taak zich ten volle te kunnen kwijten, zouden aan den „Drost" worden toegevoegd per regentschap ten hoogste één „Onderdrost" en zoo noodig een „Bestuursambtenaar", welke betrekking de laagste sport zou vormen van de ambtelijke Europeesche bestuursladder.

Aldus zou, naar de denkbeelden van den Minister Pleyte, het gebied der Gouvernementslanden op Java en Madoera na algeheele toepassing van de door hem bedoelde beginselen in hoofdzaak het beeld vertoonen van een conglomeraat van autonome rechtsgemeenschappen, bestuurd door eigen collegiale organen, waarnevens aan een stel Europeesche ambtenaren, meerendeels van oudhistorische ambtelijke benaming, voorshands zekere indirecte leiding en controle toegedacht waren. Hoe de bestuursvoering der overige gebiedsdeelen van Nederlandsch-Indië zich aan dat schema zou aanpassen, bleef voor het oogenblik in het midden gelaten.

Uitdrukkelijk werd voorts in de Memorie van Toelichting verklaard, dat de ambten van „bestuursambtenaar" „onderdrost" en „drost" hun bestaansreden zouden ontleenen aan de ongeoefendheid der regentschapsbesturen en naarmate deze beter voor hun taak berekend werden, voorbeschikt zouden zijn om te worden opgeheven. Om die reden ook „sprak het vanzelf", dat die ambten alleen voor Nederlanders konden worden opengesteld. Anders stond het met det landdrostschap. Dit was een blijvend ambt en

!) Blijkbaar werd hier gedacht aan de bestuursperiode-Daendels, gedurende welke die, inmiddels lang vergeten, benaming voor gewestelijke bestuurshoofden heeft gegolden, en wat de „andere koloniën" aanging aan West-Indië, waar in vroegeren tijd de benaming eveneens is voorgekomen, echter niet geheel in eenzelfde verband.

Sluiten