Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KABINETSWISSELING VAN HET JAAR 1918

het beter ware geweest met de zaak te wachten tot het aangekondigde ontwerp eener algemeene hervorming van het bestuurswezen tot wet verheven zou zijn.

Inderdaad zou een andere gedragslijn ook bij mij de voorkeur hebben gehad. De wijze evenwel, waarop men — met zichtbare overschatting van de practische urgentie — in Indië het onderwerp naar voren had gedrongen, maakte het raadzaam de stemming aldaar voor de hervorming in het algemeen niet te verzwakken door uitstel op dit punt van mijne zijde. In een naar aanleiding van het Verslag der Kamer bij brief van 30 Juni aan haar ingezonden Nota handhaafde ik derhalve het voorstel, daarbij opmerkend, dat dadelijke behandeling naar mijn gevoelen geene overwegende bezwaren kon opleveren, ook wijl aanneming van den begrootingspost in geen enkel opzicht te kort zou doen aan de bevoegdheid der Kamer, om naderhand ten opzichte van de onderdeden afwijkende voorstellen te doen of beslissingen te nemen.

Bij de overweging in de vergadering der Tweede Kamer van 2 Juli 1920 i) van het voorstel van den Voorzitter, om het ontwerp der onderhavige begrootingsaanvulling aan de lijst der aan de orde gestelde onderwerpen toe te voegen, ontmoette dit denkbeeld niettemin aanstonds verzet bij den leider der sociaal-democratische fractie, den Heer Albarda, met het oog op een paar zeer belangrijke posten, welke zijns inziens voor spoedige behandeling nog niet behoorlijk waren voorbereid, de posten namelijk betreffende versterking der veldpolitie en tot instelling van regentschapsraden. Krachtig gesteund als het voorstel van den Voorzitter werd door een ander lid der Commissie van Rapporteurs, den anti-revolutionnairen afgevaardigde Dr. Scheurer, gelukte het den Heer Albarda nochtans niet, in de Kamer een meerderheid aan zijne zijde te krijgen.

Het aanvullingsontwerp werd derhalve op de agenda geplaatst en op 2 Juli in openbare bespreking gebracht. Na de opening der beraadslaging was het opnieuw de laatstgenoemde afgevaardigde, die in oppositie trad met betrekking tot de genoemde posten: de veldpolitie en de regentschapsraden, voor welke hij bij twee moties van orde uitstel van behandeling voorstond 2).

1) Handelingen a. v., 1919-1920, blz. 2928.

2) Handelingen a. v., blz. 3029.

Sluiten