Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVERLEG MET DEN INMIDDELS IN INDIË INGESTELDEN

eigen huishouding, opgevat in breederen zin dan, naar de wettelijke aanduiding van de bestaande gewesten, van voorziening bepaaldelijk in bijzondere behoeften.

Voor de min of meer nog achterlijke streken kon dat beginsel van medebestuur uiteraard voorshands nog geene toepassing vinden; van autonomie kon, zoolang het stadium van ontwikkeling geen hooger peil had bereikt, daar evenmin nog sprake zijn. Onderscheiding van de gewesten in twee groepen lag daarom voor de hand. De eerste zou in hoofdtrekken meer en meer het karakter naderen van de Nederlandsche provincie en daarom ook in Indië gevoeglijk met dien naam kunnen worden aangeduid.

De „provincie" zou in het nieuwe stelsel dus zijn het aangewezen orgaan, waarop een steeds grooter wordend deel van de algemeene taak der landsregeling ter zelfstandige behartiging werd overgedragen. Ook met het oog op de financieele en personeele uitrusting, daartoe gevorderd, zou alleen bij aanzienlijke inkrimping van het aantal gewesten vervulling van dien eisch van primair belang mogelijk worden.

In tegenstelling met de administratieve ontwikkeling, was, zooals in de Memorie werd opgemerkt, de staatkundige groei van eenig gebied, ook van het gewest, afhankelijk van factoren, die goeddeels buiten de machtssfeer der Overheid vielen. Voor die ontwikkeling echter behoorde de gelegenheid al dadelijk te worden geopend door instelling van een vertegenwoordigend lichaam, een „Provinciale(n) Raad", waarin de belangen der ingezetenen zooveel mogelijk vertegenwoordiging zouden vinden. Die Provinciale Raad zou zijne medewerking verleenen tot uitvoering van algemeene verordeningen; zou dus orgaan zijn van medebestuur. Aan dien raad ook zouden de regeling en het bestuur van de eigen „gewestelijke huishouding" worden overgelaten; hij zou als zoodanig tevens dus zijn, orgaan van autonomie.

Naast de verlichting uit eerstvermelden hoofde, derhalve door decentralisatie in strikten zin, zou het zijn door toekenning van ambtelijke bevoegdheden aan het gewestelijk bestuurshoofd — niet in diens functie van provinciaal orgaan, maar in zijne hoedanigheid van vertegenwoordiger van het centraal gezag —, dat voor de Regeering beperking van bestuursbemoeienis was te verkrijgen.

In de overige nieuwe gewesten, waar noch op het gebied van autonomie noch op dat van gewestelijk medebestuur in het peil van

Sluiten