Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVERLEG MET DEN INMIDDELS IN INDIË INGESTELDEN

De provinciale begrooting zou jaarlijks worden opgemaakt door het College van Gedeputeerden; zij zou worden vastgesteld door den Provincialen Raad en om te werken de goedkeuring behoeven van den Gouverneur-Generaal. Indien de Raad mocht nalaten, de door de algemeene verordeningen aan de provincie opgelegde uitgaven op de begrooting te brengen, zou dit geschieden door den Gouverneur-Generaal.

Op de verantwoording der provinciale geldmiddelen zou door de Algemeene Rekenkamer toezicht worden uitgeoefend. De besluiten van den Provincialen Raad en van het College van Gedeputeerden, die met algemeene verordeningen of met het algemeen belang strijdig mochten zijn, zouden door den Gouverneur-Generaal worden geschorst of vernietigd. Voor het geval de Raad de huishoudelijke belangen der provincie ernstig mocht verwaarloozen, zou de ordonnantie-wetgever bevoegd zijn, de noodige voorzieningen te treffen.

De Gouverneur zou belast zijn met de zorg voor de uitvoering van alle besluiten en beslissingen van de beide provinciale lichamen. Het besluit evenwel, dat, naar zijn oordeel, als strijdig met de wet of het algemeen belang door den Gouverneur-Generaal zou kunnen worden geschorst of vernietigd, zou hij niet ten uitvoer brengen, met kennisgeving hiervan aan genoemde colleges en aan den Landvoogd.

In de gewesten van den tweeden aard in het nieuwe stelsel: de „gouvernementen", zou het gewestelijk bestuur geheel berusten bij den Gouverneur, aan wien, waar daartoe gelegenheid bestond, tot raad en voorlichting een „Adviseerende Raad" ter zijde zou kunnen worden gesteld, bestaande uit enkele door den Gouverneur-Generaal benoemde leden. Als wegbereider ook van een zuiver provincialen bestuursvorm werd een zoodanige raad voor bepaalde gevallen nuttig geacht.

. stadsge- Binnen het provinciaal gebied zou — voor zoover tot oDheffine-

meenten, daarvan geen aanleiding bestond — als afzonderlijke rechtsgemeenschap in stand blijven de stadsgemeente, rustend op de wet van 1903. Zij zou in vele opzichten kunnen blijven hetgeen zij was. Eenige in de Memorie van Toelichting nader besproken belemmerende overblijfselen evenwel uit den vroegeren tijd, als het bestaan binnen dat lichaam van Inlandsche gemeenten en derge-

Sluiten