Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOLKSRAAD NOPENS DE NADERE BESTUURSVOORSTELLEN

een stelselmatig verdringen van de volkshoofden moeten worden gewaakt.

In tegenstelling met de desa op Java en Madoera waren daarbuiten de elementen, die aangewezen mochten worden geacht om deel uit te maken van het bestuur der kleinste volksgroepeeringen in de eigenlijke beteekenis van het woord, nog veelal volks- of familiehoofden. Intusschen nam dit niet weg, dat bijv. ter Sumatra's Westkust in de nagariraden allengs een verkozen element daarnevens optrad. In hoofdzaak zou hier volstaan kunnen worden met het geven van een wettelijken grondslag aan reeds in de Inlandsche maatschappij levende instituten; een grondslag, die waar noodig voor nieuwere maatschappelijke stroomingen een baan opende in den trant als voor evengenoemd gewest reeds was geschied, laatstelijk bij de Inlandsche gemeenteordonnantie voor dit gebied in Indisch Staatsblad 1918 No. 677. In andere streken,

waar inheemsche organen van dien aard ontbraken of voor een nuttig voortbestaan de noodige levenskracht misten, zou daarentegen een ernstig streven gericht moeten zijn op schepping van de Inlandsche gemeente of het weder doen opleven daarvan.

Bij de beschouwing van het onderwerp der bestuursvoering inlandsche door Inlandsch personeel stelde de Memorie van Toelichting op den voorgrond de noodzakelijkheid van een krachtige doorvoering van het in artikel 67 van het Regeeringsreglement uitgedrukt streven,

om de inheemsche bevolking zooveel mogelijk te laten onder de onmiddellijke leiding van hare eigen hoofden, maar tevens om het in dat artikel vermelde hoogere bestuurstoezicht van Europeesche zijde al meer te beperken tot een controle van algemeenen aard.

Het gevolg daarvan zou zijn verzwaring van taak en verantwoordelijkheid van het Inlandsch Bestuur; op Java en Madoera vooral voor den Regent. Een behoorlijke vervulling van de aldus aan den Regent opgelegde meerdere verplichtingen bracht mede behoefte aan beschikking over een bekwaam helper, wiens arbeid zou moeten strekken tot bijstand in de dagelijksche bestuursvoering; voorts tot verrichting van de schriftelijke werkzaamheden,

welke bij het regentschapsbureau geene voldoende behandeling zouden vinden. Tevens zou die helper als Ondervoorzitter voor zooveel noodig vervanger kunnen zijn van den Regent in diens functie van Voorzitter van den regentschapsraad.

Sluiten