Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

derd zou worden door de autonomie en het zelfbestuur, die volgens het onderhavig wetsontwerp zouden worden toegekend. In geen opzicht zou daarmede worden vooruitgeloopen op de beslissing van de vraag, of Indië zich in federalistische dan wel in unitarische richting zou ontwikkelen.

In de Memorie van Antwoord verklaarde ik mij aan de zijde te scharen van hen, die betoogd hadden, dat de vraag omtrent een bestuursvoering in federalistische of unitarische richting bij dit wetsontwerp niet aan de orde was. Nu echter die vraag niettemin in het geding was gebracht en telkens weer voor den dag kwam, meende ik eenigszins uitvoeriger daarop te moeten ingaan.

Allereerst diende dan verklaard te worden, hoe de voorstanders van een federalistisch stelsel zich de uitwerking daarvan voor Indië dachten. Afgaande op hetgeen ook elders op dit punt was verkondigd, moest worden aangenomen, dat men zich NederlandschIndië daarbij voorstelde als verdeeld in eenige, zekere politieke zelfstandigheid genietende, volkomen autonome deelen, welke rechtseenheden als zoodanig — niet hun bevolking of die van het geheele staatsgebied — afgevaardigden zouden zenden naar een vertegenwoordigend lichaam, een soort Rijks- of Bondsraad.

Het zou — zeide ik — wel geen betoog behoeven, dat niets van dien aard in Indië aanwezig was. Ook de staat van rijpheid, van economischen groei en politieke ontwikkeling, welke een zoodanige staatsrechtelijke en staatkundige groepeering onderstelde, ontbrak geheel. Men zou dus goed doen, de gedachte aan een federalistischen staatsvorm voorshands te laten rusten. Vergiste ik mij niet, dan had trouwens voor de voorstanders van dat denkbeeld dat desideratum ook meer het karakter van een toekomstbeeld dan van een staatkundig programma, dat in woord en daad verwezenlijking zou vragen.

Ten overvloede merkte ik op, dat wanneer in den loop der tijden de natuurlijke ontwikkeling van Indië in de richting van een federalistisch stelsel mocht gaan, de bestuursvorm, door het wetsontwerp beoogd, geen beletsel behoefde op te leveren . Evenmin

*) Voor eene principieele beoordeeling van het weinig reëele denkbeeld van een federalistischen Staatsvorm onder Nederlandsch gezag voor den Indischen Archipel moge verwezen worden naar mijne Bijdrage betreffende het bestuurswezen aldaar in Deel V der Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, noot 2 aan den voet der bladzijden 456 en 457, en inzonderheid naar het voorkomende omtrent federalistische en unitarische Staatsvormen op bladz. 205-210, 248, 280-284 en 300 van het in 1938 bij den uitgever Martinus Nijhoff te 's-Gravenhage verschenen werk van mijne hand nopens de „Indische Staatsregeling".

Sluiten