Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE TWEEDE KAMER

Met de beantwoording van enkele opmerkingen van ondergeschikten aard, welke omtrent den inhoud van het voorgestelde artikel 67a van het Regeeringsreglement in het Voorloopig Verslag vermelding hadden gevonden, nam de behandeling van dat verslag in de Memorie van Antwoord een einde.

Ten slotte werd medegedeeld, dat de gelegenheid te baat was genomen om alsnog bij Nota van Wijzigingen een aanvulling van het wetsontwerp voor te stellen. Ingevolge het eerste lid van artikel 3 van het Regeeringsreglement voor Nederlandsch-Indië,

zooals dit lid nader was vastgesteld bij de wet van 16 December 1916 (Ned. Stbl. No. 535). mocht de Gouverneur-Generaal rechtstreeks noch zijdelings deelhebber zijn in, noch borg zijn voor eenige onderneming, ten grondslag hebbende eene overeenkomst, om winst of voordeel aangegaan met een gewest of gedeelte van een gewest, waarop artikel 68a van dat Reglement toepassing had gevonden. Deze bepaling nu zou, indien de wet volgens het onderhavig ontwerp tot stand kwam, dienen te worden uitgebreid tot overeenkomsten, aangegaan met een gewest of gedeelte van een gewest, waarop de artikelen 67a en 67c toepassing hebben gevonden. Vandaar dat alsnog eene wijziging van het eerste lid van artikel 3 werd bepleit. De nieuwe redactie van dit lid was zoo ruim mogelijk gesteld.

§ 2. OPENBARE GEDACHTENWISSELING

Donderdag 13 October 1921 was de eerste dag van de openbare gedachtenwisseling over het wetsontwerp.

De besprekingen werden geopend door het vrijzinnig-demo- Motie-Van cratisch Kamerlid Jhr. Mr. van Beresteyn, die in een heftig ge- Beresteyntinte rede den staf brak over het ontwerp van wet en den ontwerper !).

Spreker zou de wet een onduidelijke wet willen noemen, zooals de Minister door den Heer Marchant een onduidelijke figuur was genoemd. De wettelijke bepalingen waren elastisch, men kon er alles en men kon er niets mede bereiken. Per slot van rekening werd alles overgelaten aan algemeene verordeningen, dit was(?) het uitvoerend gezag. Wat in het Regeeringsreglement behoorde,

typisch behoorde tot de taak van den wetgever, werd er niet in

i) Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1921-1922, blz. 39-40.

Sluiten