Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

terugschrok, niet verder durven gaan dan tot aanbeveling van een hoogst beperkt kiezerskorps, vrij wel samenvallende met de één of twee procent der bevolking, dat lezen en schrijven kon. Het verbaasde spreker dan ook, dat de voorstellen van de Commissie zoo werden geprezen van democratische en ultra-democratische zijde. Onder democratischen schijn, kwamen die voorstellen feitelijk neer op het scheppen van een kleine oligarchie, een „pays légal", waarbij de eigenlijke volksinvloed uitgesloten was.

Wat echter niet kon in een centraal vertegenwoordigend lichaam was veeleer mogelijk in de provinciale vertegenwoordiging, wijl de provinciale bevolking, vooral wanneer bij de vaststelling der provinciale grenzen met de ethnologische eenheden rekening werd gehouden, veel homogener was. Tevens was daar geen bezwaar tegen doorvoering op den duur van een verantwoordelijk gouvernement in den eigenlijken zin. Was het daarom, zoo vroeg spreker den Minister met nadruk, niet gewenscht om in de uitvoeringsmaatregelen de controle van het centraal bestuur op de provinciale besturen zoo sterk mogelijk te maken? Hoe beter de mogelijkheid tot ingrijpen geregeld was, met des te meer vertrouwen zou men de proefneming in de richting van volledige provinciale autonomie kunnen en mogen uitbreiden.

Ten slotte verklaarde spreker, dat dan ook zijns inziens een groot deel van de beteekenis van het wetsontwerp bepaald zou worden door de algemeene verordeningen tot regeling der uitvoering, omtrent welke de Gouverneur-Generaal telkens overleg zou hebben te plegen met den Volksraad. In tegenstelling met den Heer Alberda kwam aan spreker de vrees niet hersenschimmig voor, dat de Volksraad daarbij een gelijke oppositie zou gaan voeren als de centrale bureaucratie sedert jaren had gevoerd tegen doorvoering der administratieve decentralisatie. Mocht deze vrees bewaarheid worden, dan mocht worden verwacht, dat de Minister, in het belang van de normale benutting van de volkskracht in Indië op politiek gebied, tegen deze tendenzen van den Volksraad beslist stelling zou nemen.

Het was met deze gegronde hoop, dat men — aldus sprekers conclusie — con amore met het wetsontwerp kon meegaan. En mocht het onverhoopt blijken, dat de uitgesproken vrees gegrond bleek, dat hetzij de centrale bureaucratie de provincie als orgaan van decentralisatie, hetzij de centrale volksvertegen-

Sluiten