Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE TWEEDE KAMER

woordiging de provincie als orgaan van autonomie zou trachten te kortwieken, dan, maar ook dan pas, zou moeten worden overwogen of een nadere regeling door de wetgevende macht in Nederland noodzakelijk was.

De Katholieke afgevaardigde Mr. Dr. van Rijckevorsel ') van Rijckewenschte na de verschillende sprekers, die hem waren voorafge- vorse' gaan, bijzonder kort te zijn bij het bepalen van zijn standpunt tegenover het wetsvoorstel. Daartegen was een soort prealabele quaestie opgeworpen. Het ontwerp zou praejudicieeren op de aanstaande herziening der Staatsinrichting van NederlandschIndië en daarom moeten worden ingetrokken.

Nu moest spreker zeggen, dat hij voor het intrekken of verwerpen om dergelijke redenen van een overigens aannemelijk wetsontwerp weinig gevoelde, omdat de parlementaire ervaring wel leerde, dat er meer kans was, geleidelijk en stuksgewijze goede dingen tot stand te brengen dan in eens. Maar in dit geval was daarvoor nog een bijzondere grond, nl. deze, dat de hervorming van het gewestelijk en plaatselijk bestuur in Indië zoo urgent was en toch al ettelijke jaren zou behoeven, terwijl uitstel tot na de herziening der Staatsinrichting een vertraging van allicht drie jaren beteekende. Om spreker te doen besluiten, aan zoo iets zijn stem te geven, zou hij overtuigd moeten zijn, dat het beweerde praejudicieeren al zeer ernstig was, maar voorshands waagde spreker het, dat de betwijfelen.

Het ontwerp, werd in verschillende toonaarden beweerd, streed met het rapport der Herzieningscommissie. Maar hier rees een nieuwe prealabele vraag: nam de Herzieningscommissie, met name haar president, niet te zeer allures aan, of het rapport ne varietur was vastgesteld? En toch kwamen in dat rapport zoovele varianten — meerderheids- en minderheidsconclusies, afzonderlijke nota's — voor, dat het bijna was zooveel hoofden zooveel zinnen. Over de belangrijkste punten moesten enkele stemmen den doorslag geven. Spreker deed voor niemand onder in respect voor den arbeid der commissie, maar haar opdracht was,

advies uit te brengen; het waren adviezen geworden. Als meer dan, zeker waardevolle, adviezen waren zij niet te beschouwen.

In hoever echter — vroeg spreker — praejudicieerde nu het

i) Handelingen a. V., blz. 47-48.

Sluiten