Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE TWEEDE KAMER

laten. Intusschen, hoezeer ook de Heer Ritsema van Eek zijne denkbeelden op talentvolle wijze had verdedigd, zij hadden te weinig — naar sprekers inzien terecht — ingang gevonden, om de reorganisatie der gewestelijke en plaatselijke besturen alleen om zijnentwil eenige jaren te vertragen.

Spreker kwam dus tot de conclusie, dat hij het schema juist achtte en logisch, omdat het rekening hield met de werkelijkheid in Indië; met de uiteenloopende ontwikkelingstoestanden der verschillende streken, derhalve met de noodzakelijkheid van verschillende graden van autonomie en zelfbestuur.

Met de hevige critiek, die er op was uitgeoefend, was het —

zeide spreker — eenigszins vreemd geloopen. Zij scheen te moeten culmineeren in de vergadering, die den vorigen Dinsdag in den Haag was gehouden, maar uit de verslagen in de bladen moest men afleiden, dat die vergadering eerder vóór het ontwerp geporteerd was. Veel van de critiek bleek ook woordenzifterij, bijv. ten aanzien van de belangrijke vraag, of de provincie ook een gewest was.

Spreker geloofde, dat ook de critici in de Kamer ten slotte tot het inzicht zouden komen, dat de bezwaren meevielen en hij voor zich wilde verklaren, dat hij het ontwerp gaarne, zij het met een enkele wijziging, tot wet zou zien verheven.

Het woord kwam vervolgens aan het anti-revolutionnaire scheurer. Kamerlid, Voorzitter van de Commissie van Rapporteurs, Dr. Scheurer i), die zijne rede opende met de verklaring, zich verblijd te hebben over de indiening van het wetsontwerp. En nog meer had spreker zich verblijd, dat dit jaar nog het ontwerp in behandeling had kunnen komen en, naar hij hoopte, door de Kamer mocht worden aangenomen met de grootst mogelijke meerderheid. De herziening van het bestuurswezen in Indië was zoo urgent, dat uitstel niet anders kon zijn dan in het nadeel van land en volk.

Spreker achtte het wenschelijk, ter beoordeeling van het wetsontwerp in de geschiedenis van het bestuursstelsel in Indië terug te gaan en ontwikkelde in dit verband een geleidelijk overzicht van dat onderwerp tot het tijdstip der indiening in 1920 van de onderhavige voorstellen, er op wijzend hoe feitelijk de instelling

i) Handelingen a. v., blz. 48-50.

Sluiten