Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

die ook een spoedige herziening van den Volksraad zou moeten medebrengen. Spreker hoopte, dat het ontwerp, dat ten zegen zou strekken van de bevolking van Indië, spoedig met de grootst mogelijke meerderheid zou worden aanvaard.

wijnkoop. De communistische volksvertegenwoordiger, de Heer Wijnkoop, besloot de reeks der sprekers in eerste instantie bij de algemeene beschouwing van het wetsontwerp i). Zijne opmerkingen verloren zich voornamelijk in onvruchtbare critielc op personen en toestanden en verwringing van de algemeene strekking der Regeeringsvoorstellen, tegen welke zijne partij zou stemmen.

Minister van In mijne rede 2) stelde ik op den voorgrond, dat het feit, mij ge-

Koiomen. roepen te zien tot verdediging in deze Vergadering van het onderhavig wetsontwerp, voor mij eene bijzondere beteekenis had. In de eerste plaats was die wetsvoordracht van groot belang door hare algemeene strekking; door de bedoeling, welke er in was neergelegd, om aan ingrijpende beginselen van staatkunde een plaats te geven in de wetgeving van Indië. Zooals het wetsvoorstel daar lag, bevatte het in hoofdzaak niets meer dan enkele fundamenteele regelen, naar van enkele zijden reeds was opgemerkt. Las men evenwel de toelichting dan werd het duidelijk, dat de strekking voornamelijk was, aan de bevolking van Indië, aan de ingezetenen van gewesten en plaatselijke gemeenschappen, een grootere mate van medezeggenschap in het bestuur van die ressorten te verschaffen; een grootere mate van autonomie en medebestuur in de uitoefening van de Overheidstaak, in gelijker voege als die rechten door de Grondwet van 1848 aan het Nederlandsche volk gewaarborgd waren.

Naast die algemeene beteekenis evenwel had het wetsontwerp voor mij nog een zeer bijzondere strekking. Ik hoopte daarin het einde te mogen zien van een bijna twintig jarigen strijd over het onderwerp; een strijd, waarin ik een ruim aandeel had gehad, een veel ruimer aandeel dan ik had kunnen vermoeden of gewenscht zou hebben, toen mijn Indische werkkring mij noopte de zaak voor het eerst ter hand te nemen.

In die periode van twintig jaren had zich, vooral gedurende de

1) Handelingen a. v., blz. 50-51.

2) Handelingen a. v., blz. 51-54.

Sluiten