Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

de wetgeving van 1903 aan bepaalde organen was opgedragen, berustte, kon men wel zeggen, de Overheidszorg in het Regeeringscentrum. Noodig was dus een procédé van loslating uit dat centrum en van aanvaarding door de lagere organen. Aan dien overgang zou noodzakelijk moeten voorafgaan overleg tusschen provincie, regentschap of welk ander lager orgaan ook en de centrale Regeering. Veelal zou het initiatief daartoe uitgaan van de Regeering zelve, maai ook het lagere orgaan zou de eerste stappen kunnen doen. Iets anders was het, wanneer het onderwerpen betrof, die nog braak lagen. Het initiatief van provincie of regentschap kon dan aanstonds tot volle ontplooiing komen, voor zooveel het landsbelang dit toeliet. Het procédé van loslating van boven en aanvaarding van beneden was sinds 1912 in de bescheiden over de bestuurshervorming aangeduid met de op zichzelf niet geheel juiste benaming: „overdracht". In dien zin vond men dat woord herhaaldelijk gebruikt naast andere meer of minder scherp gekozen termen.

Overgaande tot de door den Heer Gerretson gestelde vraag, of maatregelen zouden worden getroffen ter verzekering van een scherp toezicht uit het centrum op het provinciaal bestuur, verklaarde ik dat uit den aard der zaak zoodanig toezicht in Indië evenmin zou mogen ontbreken als hier te lande. Men zou ook daar een nauwkeurig geregeld toezicht krijgen op het geldelijk beheer en de algemeene gestie van het provinciaal bestuur, voor zoover dit zich verdroeg met het beginsel van gewestelijke autonomie.

Dezelfde afgevaardigde had alsnog inlichtingen gewenscht omtrent de vraag, of de bevolking binnen de autonome provincie — aan welk orgaan ook hij groote beteekenis toekende — in ruime mate gelegenheid zou verkrijgen om deel te nemen aan het bestuur van het gewest. Dit lag in de bedoeling. Naarmate de bevolking zich ontwikkelde, zou die deelneming ruimer en ruimer worden.

Een onderwerp, dat daarop door mij in beschouwing werd genomen, was het bestuur van de regentschappen. In het wetsontwerp waren deze in dit verband niet afzonderlijk genoemd; zij waren begrepen in de algemeene bepalingen van artikel 67c omtrent plaatselijke autonome organen. De vraag was gesteld, naar ik meende door den Heer Albarda, of het niet verkieslijk was de regentschappen op zich zelf te regelen. Die vraag beantwoordde ik

Sluiten