Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE TWEEDE KAMER

ontkennend. Wel had ik het vorige jaar op aandrang van de Indische Regeering bij suppletoire begrooting een voorstel daartoe gedaan, niettegenstaande ik voor mij feitelijk bezwaar daartegen had. Ik deed dat met de bijgedachte, dat toch na korten tijd van mijne zijde het thans aanhangig wetsontwerp zou moeten volgen en zoodoende het provinciaal verband, dat voor een goede werking van de regentschapsorganisatie noodzakelijk was, spoedig zou worden aangebracht. Dat provinciaal verband was voor mij een van de punten, waarop het aankwam. Zonder dat zou, naar ik vreesde, het einde zijn een groote verwarring, verderfelijk voor de ontwikkeling der nieuwe instelling. Al te vaak beschouwde men de toekomst van de autonome regentschappen te optimistisch. Ook ik hechtte hooge waarde aan dat instituut in het voorgedragen stelsel. Toch kon ik mijne Indische ervaring niet zoozeer uit het oog verliezen, dat ik de bezwaren kon voorbijzien, aan welke de instelling in het begin van hare ontwikkeling zou zijn blootgesteld. Dat zou een periode zijn van vallen en opstaan; van herhaaldelijk vallen en vaak moeilijk opstaan. Die periode zouden de regentschappen moeten doormaken en telkens zouden zij daarbij steun behoeven uit het provinciale centrum. Daarnaast zou krachtige hulp gevonden moeten worden in de voorlichting en medewerking van het Europeesch en het Inlandsch Bestuur en zeker niet minder in die van de Europeesche leden der raden zelve. Zoolang de bevolking niet in ruimen kring met kennis van zaken hare algemeene belangen kon overzien, zou in vele gevallen ook die laatste steun onmisbaar zijn. Voor het oogenblik stond het voor mij dan ook wel vast — en hiermede kwam ik tot een moeilijk punt in de organisatie der regentschapsraden, — dat een gemengde samenstelling de aangewezene was. Waar bovendien Indië in denzelfden zin een keuze had gedaan, door, men mocht wel zeggen, een referendum in uitgebreiden kring, en ook de Volksraad zich voor gemengde regentschapsraden had uitgesproken, zou kwalijk op dit oogenblik een andere keuze kunnen worden gedaan.

Van den Heer Albarda had ik verder vernomen, dat men in hetgeen in de Memorie van Toelichting was gezegd over de Regenten op Java en Madoera aanleiding had gevonden tot de onderstelling, dat bedoeld zou zijn een terugkeer tot den ouden toestand, toen verschillende Regenten niet ten onrechte betiteld kon-

Indische Bestuurshervorming

9

Sluiten