Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE TWEEDE KAMER

die geachte afgevaardigde niet aanstonds de voorgestelde regeling begrepen en naar juiste waarde geschat had.

Kort daarna echter onderstelde de Minister, dat ditzelfde duidelijke wetsontwerp door allen, die het buiten de Kamer gecritiseerd hadden, verkeerd begrepen was. Nu wenschte spreker toch even de aandacht er op te vestigen, dat de mannen, welke die scherpe critiek uitgeoefend hadden, zeker niet minder dan de Minister op dit gebied deskundig mochten worden geacht. Zoo noemde spreker de namen van vier hoogleeraren, die zich in het bijzonder met Indische aangelegenheden bemoeiden: de professoren Carpentier Alting, Van Vollenhoven, Heeres en Hazeu. Verder trof hij aan een oud-Directeur van het Onderwijs in Nederlandsch-Indië en twee oud-leden van den Raad van Indië. Voorts twee oud-residenten en één oud-Landsadvocaat, alsmede den vroegeren Voorzitter van den Volksraad en eenige zeer bekende publicisten.

Welken indruk moest men verkrijgen van de bekwaamheid van die mannen, wanneer de Minister zeide van hun critiek: zij berust op het feit, dat zij niet begrijpen wat ik schrijf? Op die wijze kon de Minister zich toch niet afmaken van de zeer ernstige en zeer scherpe critiek van mannen, wier deskundigheid en belangstelling boven verdenking behoorden te staan !).

Nu had de Minister de Kamer min of meer getart. Hij had gezegd: Er is hier wel beweerd, dat aan de Gouverneurs der provinciën een autocratische bevoegdheid zou worden gegeven, maar dat kan mij — zoo had hij ongeveer gezegd — niemand met de stukken bewijzen; nergens, noch in het wetsontwerp noch in de stukken, vindt men zinsneden, waarmee die meening zou zijn te verdedigen.

„Het spijt mij" — zeide spreker — „voor den Minister, maar ik heb zulke zinsneden wèl aangetroffen". Zich vastklampend aan enkele citaten uit de Memorie van Toelichting, van welke het eene in dit verband nog minder paste dan het andere en al meer den spreker vasten grond onder de voeten deed verliezen, putte de Heer Albarda zich uit in een op alle punten falend beroep op die Memorie.

!) Wanneer de Minister aan de lokstem van den leider der sociaal-democratische fractie gehoor had gegeven, zou de Voorzitter der Kamer wel niet hebben nagelaten in herinnering te brengen, dat de vergaderingen der Staten-Generaal zich kwalijk leenden tot academisch dispuutcollege.

Sluiten