Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE TWEEDE KAMER

doen. Als de beginselen goed waren, was dit zoo gek niet, zei de Heer Dresselhuys. Maar daartegen had spreker wel bezwaar. Goede beginselen moesten worden beschermd ook tegen volgende Regeeringen en spreker had nu niet den minsten waarborg niettegenstaande de goede bedoelingen van den Minister, want(?) „wij" wenschten, dat Zijne Excellentie over een jaar verdwijnen zou. Spreker verlangde er niet naar, dat deze Minister weer in de volgende zittingsperiode zou optreden.

De zaak was deze: spreker had niets aan bedoelingen van een bewindsman, die op aftreden stond. Men moest hier zekerheid hebben en daarom moest men goede dingen niet in een uitvoeringswet zetten, maar in een wet en als het kon in de Grondwet.

De heer De Muralt vond dat niet mooi, maar die had zich in slaap laten wiegen door de goede bedoelingen van den Minister. Sprekers ongerustheid sproot hieruit voort, dat de Regeering niet verder was gekomen dan mogelijk te maken, dat in de provincies een zekere autonomie tot ontwikkeling zou komen.

Bij deze wet zou van de zaak niets terecht kunnen komen, natuurlijk niet in de gedeelten, waar de Gouverneur de eenige bekleeder van het gezag was. In dit verband wees spreker op een aanteekening op blz. 16 der Memorie van Toelichting, betrekking hebbende op de niet tot provincie aangewezen gewesten en de geheel ambtelijke positie der Gouverneurs in die ressorten en opperde hij de vraag, waarom men dien bestuurders nog meer macht zou geven dan zij al hadden.

Autonomie sloot voor spreker in, de bevoegdheid om zelfstandig zijne huishouding te regelen, maar de Minister had eene andere( ?) opvatting. De Minister draaide de zaak om en zeide: als gij eenmaal ingericht zijt, zal ik U af en toe een stukje grond geven, zooveel mij goeddunkt, ter ontginning. Het stond wel onduidelijk in de stukken, maar de Minister sprak toch uitdrukkelijk van „overdragen" van een gedeelte van het bestuur van het centraal gezag aan de plaatselijke organen. De Heer Van Rijckevorsel zeide: het andere staat er ook in, maar daaruit bleek weer, dat de stukken onduidelijk waren. Nu was het sprekers vrees, dat het centraal gezag slechts bij mondjesmaat autonomie zou toestaan en tal van zaken, die door de provincie moesten worden behartigd, zouden worden opgedragen aan den Gouverneur als vertegenwoordiger van de Landsregeering. Men had dat in de Nederlandsche ge-

Sluiten