Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

meenten ook. De Minister had zijne bedoelingen moeten formuleeren in wetsbepalingen in het ontwerp, dan stond er iets vast i).

Te meer nog maakte spreker zich ongerust, omdat de Minister had gezegd( ?): de Herzieningscommissie, de Volksraad en ik, wij zijn het geheel eens. Wanneer men las, wat de Voorzitter der Herzieningscommissie en de andere leden van die commissie en wat de Volksraad hadden gezegd, dan stond men anders hiertegenover. Als de Volksraad inderdaad het er mede eens was geweest, dan had men de zaak wel in één zitting afgedaan.

Wat de professoren Carpentier Alting, Kleintjes en Van Vollenhoven hadden gezegd, had spreker in eersten termijn al voorgelezen, ook hiervan zou de Minister niet schrikken want hij schrok nergens van. Ook de hiervóór vermelde vergadering had spreker bijgewoond, maar de zaak was daarbij onbeslist gebleven. Een beroep op de „verdedigers van den Minister" aldaar was niet voldoende.

Spreker eindigde met te zeggen, dat hij buitengewoon teleurgesteld was, daar de Minister zich niet de moeite had getroost, nader op de zaak in te gaan. Hij geloofde niet, dat de Minister zijn tijd goed begrepen had.

Kdoriën™11 De sprekers in tweeden termijn beantwoordend, wees ik er op hoe de Heer Albarda twijfel had geopperd aan de groote beteekenis van het wetsontwerp. Over dit punt — zeide ik — valt moeilijk te twisten. De een zal van groote beteekenis achten wat in de oogen van den ander van ondergeschikte waarde is. Van verschillende zijden — zoo merkte ik op -— had ik intusschen de verklaring vernomen, dat men wel degelijk de groote beteekenis gevoelde en naar mijne overtuiging hadden die afgevaardigden het bij het juiste einde. Een wetgeving, fundamenteele regelen bevattend voor de algemeene organisatie der toekomstige gewestelijke en plaatselijke besturen in Indië, kon men niet anders dan een zeer belangrijke wetgeving achten.

De Heer Van Beresteyn was verder gegaan. Hij had de vraag

]) Bij meerdere bekendheid met de feiten en met de toestanden in Indië, zou de Heer Van Beresteyn hebben ingezien, dat hetgeen naar zijn eigen erkenning zelfs voor Nederland ontbrak, voor Indië a fortiori niet aanstonds naar zijne wenschen te geven was. Het betrof hier een stuk decentralisatiepolitiek, waarvan de geleidelijke ontwikkeling aan den loop van zaken aldaar en aan den eigen wetgever moest worden overgelaten, behoudens oppertoezicht uit het Moederland.

Sluiten