Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE TWEEDE KAMER

gesteld: Minister, hadt gij niet tegelijkertijd de details kunnen regelen ?

Dit had — antwoordde ik — niet hier moeten gebeuren; die taak behoort in de eerste plaats in Indië zelf te worden verricht.

De Heer Van Beresteyn had min of meer een college over Staats- en gemeenterecht gegeven en tevens mij een niet lang bestaan meer als Minister toegewenscht. Zijne onvriendelijke gedachte wilde ik met een goeden wensch beantwoorden. „Ik hoop van harte" — zeide ik — „dat de Kamer de klare, heldere voorlichting van den Heer Van Beresteyn op het gebied van Staatsen gemeenterecht nog jarenlang zal mogen genieten". Dit nam echter niet weg, dat ik dezen keer hem niet begrepen had. Naar ik geloofde verkeerde die afgevaardigde, wat ik volkomen begrijpelijk achtte, in dit geval principieel in een dwaling.

Hij had zich als ideaal voorgesteld, dat alles hier, bij de wet, zou worden geregeld. Om practische redenen zou dat reeds niet mogelijk zijn. De groote lijnen konden en moesten bij de wet worden vastgelegd, zooals ook nu geschieden zou. Moest dit ook met de uitwerking het geval zijn, dan zou dat de nu al zoo uitgebreide taak van de Staten-Generaal onmogelijk maken. Ook zou het, gelijk terecht in de Kamer was opgemerkt, al aanstonds in strijd zijn met de staatkundige lijn, die ook in dit wetsontwerp lag en juist in geheel andere richting leidde, namelijk niet in die van centraliseering bij de Nederlandsche wetgevende macht.

Vervolgens overgaande tot de vraag, eveneens door den Heer Van Beresteyn gesteld, of van de voorgestelde bepalingen geene belemmering te vreezen was voor een vrije ontwikkeling der autonomie van het nieuwe gewest, wees ik er op, dat de aandrang tot uitbreiding van de autonome gewestelijke huishouding wel vooral te verwachten was van den provincialen raad zeiven. Ook uit dit oogpunt meende ik mijne voorstellen zooveel meer vooruitstrevend te mogen noemen dan die der Indische Herzieningscommissie. Bij mij stond de gedachte voorop, om waar maar eenigszins voor een zoodanig orgaan plaats was, over te gaan tot instelling van een provincialen raad, in de verwachting dat, eenmaal tot stand gekomen zijnde, van dit lichaam zelf in de eerste plaats bij voortduring aandrang zou uitgaan tot uitbreiding van de gewestelijke huishouding.

Overigens deed ik nog wèl uitkomen, dat men vooral zich moest

Sluiten