Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE TWEEDE KAMER

hij den vorigen dag reeds had doen blijken, zich kon vereenigen met het eerste amendement. Over het sub-amendement van den Heer Albarda wenschte hij echter een enkel woord te zeggen. Er was den vorigen dag van verschillende zijden gesproken over ambtelijke decentralisatie. Deze zou, vreesde men, vooral uitkomen in de instructie van den Gouverneur. Nu beschouwde spreker de zaak zoo, dat die ambtelijke decentralisatie niet was de beste regeling der bevoegdheden van het centraal gezag, maar wel degelijk medebracht „een geheel ander bestuur" en waar dit zoo was,

meende hij, dat de Volksraad daarover diende te worden gehoord.

Wat aanging het tweede amendement kon men, staande voor een beslissing, den oogst binnenhalen en dan moest men zich niet daarvan laten terughouden omdat gezegd werd: dat moet bij een volgende gelegenheid gebeuren. Spreker — die ook hiermede weer toonde, zich op hem onbekend terrein te bevinden — vreesde, dat de volgende gelegenheid zich voorloopig niet zou voordoen. Hij geloofde integendeel, dat het lang zou duren eer die gelegenheid er zou zijn.

Om die reden zou hij gaarne binnenhalen wat goed was en met het amendement willen medegaan.

De communistische afgevaardigde, de Heer Wijnkoop '), wijnkoop, wenschte het optreden van den Heer Dresselhuys te karakteriseeren. Hij zou niet tegen diens amendement stemmen maar hij wees er op, dat het wetsontwerp was een versterking van de bureaucratie, zooals hij al gezegd had; het beetje, dat wellicht nog ondanks de bedoeling van den Minister er van zou terechtkomen in democratischen zin, wenschte de Heer Dresselhuys door deze wijziging, door het geven van die grootere rechten aan den Volksraad nog te verminderen. Hij wenschte dezen reactionnairen Volksraad op het oogenblik een grootere kracht te geven tegen wat er uit het voorstel aan democratische kracht door de beweging in Indië zelf gehaald zou worden.

Als spreker vóór dit voorstel stemde, was het omdat deze Volksraad er maar voor een paar jaar was en de bepaling natuurlijk langer zou duren. Hij karakteriseerde slechts, meer deed hij niet.

Zich verder nog verdiepend in de door den Heer Dresselhuys besproken „belangengemeenschap", betoogde spreker o. m. dat

i) Handelingen a. v., blz. 66-67.

Sluiten