Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE TWEEDE KAMER

mij niet werden gedeeld. Mijne bezwaren bewogen zich geheel op practisch gebied; zij hadden betrekking op het feit, dat de afdoening van spoedeischende aangelegenheden, die in een algemeene verordening regeling moesten vinden, maar van te weinig belang waren om daarvoor een spoedvergadering van den Raad bijeen te roepen, dientengevolge mogelijk eenige maanden vertraging zou vinden.

Waar het mij intusschen gebleken was, dat in breeden kring groote waarde werd gehecht aan eene algemeene verplichting tot overleg met den Volksraad, vastgelegd in het Regeeringsreglement, was ik gezind mijne bezwaren prijs te geven. Ik was dus bereid het eerste amendement van den Heer Dresselhuys over te nemen. Een uitzondering maakte ik evenwel voor het sub-amendement van den Heer Albarda, waarvan ik aanneming zeer beslist moest ontraden. Ik had daarvoor verschillende redenen. In de eerste plaats behandelden de daarbij bedoelde instructiën voor de hoofden van gewestelijk bestuur juist dat gedeelte van de bestuursvoering, dat niet behoorde tot het terrein van bemoeienis der autonome organen, maar tot dat van de ambtelijke bestuursuitoefening. Raadpleging ook op dat punt van den Volksraad zou de anomalie doen ontstaan, dat lichamen, die met de ambtelijke bestuursvoering geen bemoeienis hebben, als het ware zich op den zetel zouden plaatsen van den Gouverneur-Generaal. Die instructiën zouden bovendien politieke en allerlei andere onderwerpen meer betreffen, waarin het wel zeer onjuist zou zijn den Volksraad te mengen. Ik verklaarde ten overvloede het te betwijfelen, of de zaak veel daarbij zou winnen. Als men voorts in aanmerking nam, hoe weinigen hier te lande zich interesseerden voor de instructie van den Commissaris des Konings in de provincie, was het wel niet te verwachten, dat het in Indië anders zou zijn. Tengevolge van bijzondere omstandigheden deed op het oogenblik zich daar de omstandigheid voor, dat de instructie voor de Hoofden van gewestelijk bestuur en voor de Regenten en andere Inlandsche bestuurshoofden bij algemeene verordening was vastgesteld en gepubliceerd. Die instructies konden echter te allen tijde worden uitgebreid bij anbtelijke aanschrijvingen, geheime of niet-geheime, naarmate de belangen van den dienst dit vorderden, en bezwaarlijk zou over elk geval van dien aard de Volksraad zijn te raadplegen, afgescheiden nog van de door mij genoemde principi-

Sluiten