Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

eele bedenkingen. Ik moest dus aanneming van het sub-amendement, als niet passend in het kader van het geheel, ontraden.

Wat verder betrof het tweede voorstel van den Heer Dresselhuys, tot mijn spijt kon ik ook daarmede mij niet vereenigen.

In het tegenwoordig stadium zou invoeging van een zoodanige bepaling uiterst bedenkelijke gevolgen hebben. Men zou daarmede incidenteel een zeer gewichtige wijziging brengen in de verhouding tusschen Staten-Generaal, Kroon, den Indischen ordonnantie-wetgever — d.i. de Gouverneur-Generaal in overeenstemming met den Raad van Indië — en den Volksraad. Ook practisch zou de beoogde regeling moeilijkheden scheppen, die in het tegenwoordige stelsel vrijwel onoplosbaar zouden zijn.

Men stelle zich voor — zeide ik — dat de Gouverneur-Generaal een ontwerp-Koninklijk besluit aan den Volksraad zond om advies en dat deze bij amendement daarin wijziging bracht. Overleg met den Minister zou tijdens de behandeling veelal niet kunnen plaats hebben, zoodat deze dan een voorstel uit Indië zou krijgen, dat hij klakkeloos zou hebben te aanvaarden of bij wetsvoordracht in de Kamer zou hebben te brengen. Dat de daaruit voortspruitende vertraging vergoed zou worden door voordeelen van de nieuwe werkwijze, moest ik ernstig betwijfelen. Ook de Raad van State zou in een moeilijke positie komen. En beperkte men de voorgestelde procedure tot koloniale verordeningen, dan werd de zaak nog vreemder. Immers niet alleen zou men de Indische Regeering dan in de verleiding brengen de zaak bij voorkeur in den vorm van een Koninklijk besluit te gieten als oppositie in den Volksraad te verwachten viel, maar bovendien zou de Minister formeel altijd bevoegd blijven, een regeling bij Koninklijk besluit uit te lokken, wanneer de Volksraad zich tegen de ontwerp-ordonnantie had verzet. Hoe ik de zaak dus ook bezag, de door den Heer Dresselhuys verlangde wijziging, waarin ook ik gaarne een goede gedachte erkende, was technisch niet in het bestaande Staatsrecht in te lasschen en principieel was zij van zóó verre strekking, dat zij wel zeer ernstig overwogen zou moeten worden en feitelijk eerst overwogen zou kunnen worden na de aanstaande Grondwetsherziening. Ook de Volksraad zelf had blijkbaar de urgentie niet gevoeld.

In verband hiermede wilde ik dus bij de voorstellers van het amendement er op aandringen, om met het oog op hunne alge-

Sluiten