Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE EERSTE KAMER

Raad, niet de Gouverneur, die de provinciale begrooting vaststelde en daardoor het provinciaal beleid regelde en controleerde.

Uit deze omschrijving volgde, dat de door weder andere leden gestelde vraag, in wélk geval de Gouverneur en in wélk geval de Gedeputeerden zouden optreden, aldus beantwoord moest worden, dat Gedeputeerden de noodige regelingen maakten voor en toezicht hielden op de onderwerpen, die ter verzorging of controle aan de provinciale besturen waren toevertrouwd, dus zoowel ten aanzien van de autonoom verzorgde, zuiver provinciale, aangelegenheden als ten aanzien van de in de medebestuur behartigde belangen. De Gouverneur trad in de eerste plaats op wanneer landsbelangen behartigd moesten worden, waarmede de provincie geen bemoeienis had. Daarnaast trad hij op als uitvoerder van de besluiten van den Provincialen Raad en het College van Gedeputeerden.

De staf van ambtenaren in het provinciale centrum zou, wellicht op een enkelen na, bestaan uit provinciale ambtenaren, hoofden van provinciale takken van dienst, die geenszins den Gouverneur doch het geheele provinciale bestuur — in de practijk derhalve het College van Gedeputeerden — ter zijde zouden staan.

De Staten-Generaal zouden den Gouverneurs uiteraard evenmin rechtstreeks rekenschap kunnen vragen van hun beheer als zij dat den tegenwoordigen gewestelijken bestuurders konden doen. Evenmin ook als thans en evenmin als de Volksraad daartoe in staat was, zouden zij toezicht kunnen uitoefenen op de gewestelijke begrootingen. In het budgetrecht van Volksraad en StatenGeneraal en in de inrichting van de begrooting in het algemeen zou de hervorming geen verandering brengen. Zooais reeds opgemerkt, was immers bij dit ontwerp uitsluitend aan de orde de hervorming van het bestuur in Indië, niet dat over Indië.

De beschouwing, dat de bevoegdheid, welke in het wetsontwerp den Gouverneur werd toegekend, feitelijk zou leiden tot een zelfstandig beheer der gebiedsdeelen, als door den Heer Ritsema van Eek voorgestaan, werd aldus beantwoord, dat althans voor afzienbaren tijd de daartoe onmisbare factoren nog zouden ontbreken. Wat den omvang van de „provinciale huishouding" betrof, aanvankelijk zou die bescheiden zijn, om geleidelijk zich uit te zetten.

Sluiten