Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

In verband met de beschouwing van enkele leden, dat inzonderheid uit het bepaalde in artikel 67b, eerste lid, zou blijken het geheel of althans zeer overwegend ambtelijk en administratief karakter van de ontworpen decentralisatie, werd nadrukkelijk gewezen op het feit, dat genoemd artikel niet alleen stond, maar naar de eerste regelen van wetsinterpretatie moest worden gelezen in het logisch verband tot de daarmede samenhangende bepalingen, in dit geval dus in de eerste plaats tot artikel 67a. Dit laatste artikel nu regelde de provinciale autonomie en het provinciale medebestuur, terwijl artikel 67b, eerste lid, het bestuur behandelde van de overblijvende aangelegenheden; van die aangelegenheden dus, welke — zooals op bladz. 37 van de Memorie van Toelichting was gezegd — „evenals dit in de Nederlandsche provincie met verschillende onderwerpen het geval is, geen deel uitmaken van de in het tweede lid van artikel 67a bedoelde gewestelijke huishouding en niet het aan den Provincialen Raad opgedragen medebestuur betreffen". Duidelijker had wel niet kenbaar kunnen worden gemaakt, dat op het medebestuur van het provinciaal gezag door de bepaling in het eerste lid van artikel 67b geen inbreuk werd gemaakt, derhalve dat tusschen die bepaling en het zesde lid van artikel 67a ook geene tegenstelling bestond.

Dezelfde bepaling in het zesde lid van artikel 61a zou, naar door sommige leden was opgemerkt, niet op medebestuur in eigenlijken zin betrekking hebben doch alleen toepassing kunnen vinden bij de onderwerpen van bestuurszorg, waarvan de centrale Overheid de regeling en uitvoering aan zich hield en waarmede de provincie als zoodanig geen bemoeienis had. Luidens de Memorie van Toelichting toch (bladz. 36) maakte die bepaling het mogelijk, om aan de provinciale besturen de verplichting op te leggen, als „lasthebber" van de Landsregeering hunne diensten te verleenen tot uitvoering van algemeene verordeningen, waarbij dus geen sprake zou zijn van volvoering van een deel der algemeene bestuurstaak in de provincie door provinciale organen, onafhankelijk van de centrale Regeering (medebestuur), maar van uitvoering door organen met eene positie als lasthebber, overeenkomende met die der tegenwoordige ambtenaren.

Al dadelijk — voerde ik aan — viel tegenover die beschouwing de afdoende weerlegging te stellen van de andere leden, wien dat betoog weinig klemmend voorkwam alleen reeds wijl de woorden,

Sluiten