Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE EERSTE KAMER

waarin de medebestuurstaak der provincie omschreven werd, nagenoeg gelijkluidend waren met die, waarin de Grondwet en de Provinciale wet voor Nederland het provinciaal medebestuur aldaar regelen. Waarom dezelfde woorden in het eene geval iets anders zouden moeten beteekenen dan in het andere, was ook mij niet duidelijk. Maar bovendien zou het immers een ongerijmdheid zijn, het provinciaal bestuur te belasten met de zorg voor eene aangelegenheid, waarmede de provincie als zoodanig geen bemoeienis had. Ik sloot mij dan ook geheel aan bij het verdere betoog der evenbedoelde leden, dat de constructie van een Provincialen Raad, die als lasthebber van de Centrale Overheid zou optreden en daarbij ongeveer de positie zou innemen van den tegenwoordigen bestuursambtenaar, noch in de ontworpen artikelen noch in de toelichting steun vond en wel eenigszins gezocht mocht worden geacht. Daarbij kwam nog, gelijk verder door die leden was opgemerkt, dat het in de Memorie van Toelichting op bladz. 36 gebruikte woord: „lasthebber", waaraan ten onrechte aanstoot was genomen, in het verband, waarin het voorkwam, bezwaarlijk tot misverstand kon leiden en dat dit woord zeker niet meer beperkend was dan de door den Hoogleeraar Mr. J. Oppenheim in diens „Nederlandsche Gemeentewet", deel I, bladz. 896, gebezigde uitdrukking: „werktuig van hooger gezag" voor de organen, die onafhankelijk staan tegenover het centrale gezag en die in de deelen de Rijkstaak volvoeren (ibid., bladz. 84). Ook de Memorie van Toelichting op het ontwerp der Nederlandsche Provinciale wet sprak reeds uitdrukkelijk van de Gedeputeerde Staten als: „werktuigen der algemeene Regeering" voor de uitvoering van wetten en bevelen (Buys, De Grondwet, deel II, bladz. 144 en 145). In vergelijking met het voor allerlei gradaties vatbare begrip van „lasthebber", „mandataris", zou stellig die aanduiding heel wat meer reden kunnen geven tot gemoedsbezwaren.

Het provinciaal bestuur kon ook in deze nooit met den bestuursambtenaar op één lijn worden gesteld. Aan het College van Gedeputeerden kon de uitvoering van een algemeene verordening worden opgedragen, maar niet kon aan dat College worden voorgeschreven — en hierin lag wel het sprekend verschil met den ambtenaar — hoe en op welke wijze die uitvoering moest geschieden. De aanduiding van het in het zesde lid van artikel 67a beschreven medebestuur der provincie als een volvoeren van een

Sluiten