Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

deel der algemeene bestuurstaak door organen met een positie als lasthebber, overeenkomende met die der tegenwoordige ambtenaren, berustte derhalve op een miskenning van de positie, welke Provinciale Raad en College van Gedeputeerden uit den aard van hun bestaan in het organisme van den Staat innemen.

De vorenstaande beschouwingen sloten, naar ik zeide, aan bij het door andere leden uit de Nederlandsche practijk geconstateerde feit, dat medewerking tot de uitvoering van wetten kon leiden tot een bestuurszorg, die zelve onderdeel van het provinciale huishouden wordt. Tevens bij de zienswijze, dat in dit provinciale medebestuur, hetwelk volgens het ontwerp door Gedeputeerden zou worden uitgevoerd, soms door den Provincialen Raad zelf, maar in geen geval — ook niet wanneer voor het oogenblik nog een College van Gedeputeerden mocht worden gemist — door een „autocratisch" Gouverneur, een hoogst belangrijk element voor de nieuwe bestuursvoering was gelegen.

De regeling van den werkkring der in minder ontwikkelde gewesten eventueel in te stellen adviseerende raden zou uit den aard der zaak niet overal dezelfde behoeven te zijn. Toekenning evenwel van mederegelende bevoegdheid, in den zin van autonomie of medebestuur, zou niet in de bedoeling kunnen liggen. Werd de toestand daarvoor rijp geacht, dan zou het oogenblik daar zijn, om overbrenging in den vorm van „provincie" te overwegen, zij het desvereischt voorshands nog met een provinciaal gezag van hoogst bescheiden omvang.

Met de zienswijze, dat de naam: „gewest" voor de autonome provinciën niet juist zou zijn, verklaarde ik niet te kunnen instemmen. Taalkundig was het woord „gewest" de verzamelnaam, waarmede in het algemeen de hoogste bestuursressorten beneden het centraal staatsgezag werden aangeduid, wélke ook de inwendige bestuursvorm daarvan was. Een fout in de door de Indische Herzieningscommissie aanbevolen terminologie J) was het voorbijzien van dit feit, waardoor men in de aanduiding der verschillende soorten van gewesten tot onderscheidingen was gekomen, die met algemeene taalbegrippen streden en dientengevolge in de practijk in hooge mate verwarrend zouden hebben gewerkt.

De inrichting van het bureau van den Gouverneur, voor zoover het Landsbureau was, zou door den Gouverneur, voor zoover het

*) Te voren reeds in het door den Minister Pleyte in 1918 ingediend wetsontwerp.

Sluiten