Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE EERSTE KAMER

provinciaal bureau was, door het College van Gedeputeerden geregeld moeten worden.

Wat aanging de door andere leden gestelde vraag omtrent de verhouding tusschen de provinciale besturen en de bestuursambtenaren, werd in de eerste plaats met betrekking tot den Gouverneur gewezen op de hiervóór reeds in het licht gestelde tweeledige functie, door dien bestuurder bekleed. Als Landsorgaan (vertegenwoordiger van den Gouverneur-Generaal), in de uitoefening dus van de functiën, bedoeld bij artikel 67b, eerste lid, zou de Gouverneur los staan van het provinciaal bestuur; als provinciaal orgaan (uitvoerder van de besluiten van den Provincialen Raad en het College van Gedeputeerden) zou hij aan die lichamen verantwoordelijk zijn. De Residenten — afdeelingsbestuurders in het nieuwe stelsel — waren aan den Gouverneur rechtstreeks ondergeschikte Landsorganen, die derhalve vrij stonden tegenover het provinciaal bestuur, behoudens dat, overeenkomstig het thans in artikel 19a der Locale Raden-Ordonnantie neergelegd beginsel, de uitvoering van provinciale verordeningen, met toestemming van den Gouverneur, ook aan hen kon worden opgedragen. De Regent verkeerde in eene verhouding, analoog aan die van den Gouverneur. Als Landsorgaan stond hij los van den Regentschapsraad; als Regentschapsorgaan was hij aan dien Raad verantwoordelijk op dezelfde wijze als de Gouverneur aan de colleges van het provinciaal bestuur. De Inlandsche bestuursambtenaren in het regentschap waren aan den Regent ondergeschikte Landsorganen.

Met de leden, die het wetsontwerp op dit punt verdedigden, verklaarde ik mij van meening, dat ook waar al aanstonds provinciaal bestuur werd ingesteld, het nog jaren zou duren eer de bemoeienissen van dat bestuur zich zoover zouden hebben uitgebreid, dat aanleiding zou kunnen bestaan voor de vraag, of hetgeen in de eerste en de derde alinea van artikel 67b werd bepaald niet te vervangen ware door een korte aanduiding van den werkkring van den Gouverneur buiten het provinciale bestuur, in den geest van die in artikel 141 der Grondwet. Ook de tijd van eene zoodanige provinciale ontwikkeling, dat de bestuursambtenaren, voor zooveel niet tevens zijnde organen van gewestelijk of locaal gemeenschapsbestuur, geheel gemist zouden kunnen worden, was in het verre verschiet gelegen. Hoe dit echter ook was, met de leden, van welke de bovenbedoelde vraag was uitgegaan, deelde

Sluiten