Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE EERSTE KAMER

dracht niet noodig ware geweest, juist mocht heeten, had ik — naar ik te kennen gaf — gemeend, op grond van overwegingen van staatkundigen aard mij op een ander standpunt te moeten plaatsen. De regentschapsraden toch stonden in het ontworpen stelsel niet op zich zelf. Zij vormden een met andere autonome lichamen nauw samenhangend onderdeel van eene afgeronde organisatie, welke in haar geheel de gansche Overheidstaak omvatte. Buiten het provinciaal verband zouden deze raden den krachtigen steun missen, dien zij voor een behoorlijke en juiste ontwikkeling noodig hadden, en zou de toekomst van de instelling vermoedelijk hoogst twijfelachtig zijn.

De indiening, op instigatie van de Indische Regeering, van het voorstel tot instelling van regentschapsraden bij de algemeene aanvullingsbegrooting van 1920 was dan ook, zooals ik verklaarde bij de openbare behandeling in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, geschied in de verwachting, dat de onderhavige wetsvoordracht nopens de gewestelijke en plaatselijke bestuurshervorming, waarin die raden pasten, binnenkort in behandeling zou komen, zoodat het voor de goede werking van die raden onmisbare provinciale verband dan ongeveer gelijktijdig zou kunnen intreden.

Bij evenbedoeld, in de suppletoire begrooting van 1920 opgenomen voorstel was — naar ik in het licht stelde — het Indische advies, dat in het algemeen aansloot bij de in 1914 door mij ontwikkelde denkbeelden, in hoofdzaak gevolgd. Elk autonoom regentschap zou zelf hebben te beslissen over de vraag, welke ambtenaren het zou aanstellen. Bezwaarlijk kon thans reeds een meer gespecificeerde toelichting worden gegeven omtrent hetgeen wèl en hetgeen niet tot den werkkring van die raden zou worden gebracht. Voor het eene regentschap zou bovendien, aanvankelijk althans, die werkkring meer uitgebreid zijn dan voor het andere. De vaststelling zou tot de taak van de uitvoering der wet behooren. De op blz. 17 der Memorie van Toelichting ter sprake gebrachte oplossing van kleinere stadsgemeenschappen op Java in het autonome regentschap was bedoeld als een mogelijkheid.

Het kwam mij —zeide ik verder— aan gegronden twijfel onderhevig voor, of de door eenige leden te kennen gegeven meening, dat de positie van het dorpshoofd tot nu toe niet veel meer zou zijn dan die van uitvoerder van de bevelen der bestuursambtenaren, in zoo algemeenen zin juist mocht heeten. In elk geval zou

Sluiten