Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE EERSTE KAMER

ging voorgelegd vóórontwerp, wees spreker er op, dat daaraan was voorafgegaan de indiening door een zestal leden van „vrijzinnigen huize", naar hij meende, van een reeks amendementen,

waaronder verscheidene belangrijke, die alle aangenomen wareni).

Ten slotte dwaalde spreker af naar de staatkundige ontwaking in Britsch-Indië en Egypte en naar de oprichting, in Nederlandsch Indië, van een Comité voor autonomie, verrezen onder instemming o.a. van drie bezadigde Regenten en gedwarsboomd door de Indische „satrapenregeering", met name het bewind van den Gouverneur-Generaal Fock.

Ernstig sprak, aan het einde, de Heer Mendels de hoop uit, dat aanneming van het wetsontwerp niet aan eene catastrofale of eruptieve ontwikkeling in Indië bevorderlijk zou wezen. Hij vreesde dit echter zeer.

Na eene korte schorsing der vergadering trad als woordvoerder van den Berg. op de Oud-Hoogleeraar Mr. L. W. C. van den Berg 2), die in scherpe tegenstelling met zijn voorganger op den voorgrond stelde, dat hij het wetsontwerp tot nadere wijziging van het Reglement op het beleid der Regeering van Nederlandsch Indië beschouwde als een zaak van het hoogste belang en dan ook begreep,

dat zoovele Nederlandsche en Indische personen zich hadden uitgesproken over de toekomst van Indië. De groote quaestie was,

of Indië een deel zou blijven van Nederland, dan wel reeds beginnen kon zelfstandig te worden. Spreker achtte het eerste het eenige mogelijke. De toestand in Indië was z.i. nog niet zoodanig, dat men beginnen kon met het land zelfstandig te maken.

1) Ingediend werden in den Volksraad 13 amendementen en 4 sub-amendementen.

Aangenomen werden, met uiteenloopende groepeering van stemmen, 12 amendementen, meerendeels van de leden Vreede c. s. Van deze amendementen was er slechts één,

No. 7, dat, oppervlakkig beschouwd, een principieel karakter droeg. Dit amendement had betrekking op het onderwerp, door den Heer Mendels breed uitgemeten, de wettelijke onderscheiding van de bestuursvoering in de Indische provincie in tweeërlei vorm: het bestuur van den Provincialen Raad en dat van den Gouverneur, als vertegenwoordiger van het Centraal gezag. Dat het ook daarbij echter in den grond der zaak niet ging om een verschil in beginsel maar om een quaestie van utiliteit, van wetsredactie, is hiervóór uiteengezet. In de Nederlandsche wet was aan die onderscheiding niet bepaaldelijk uiting gegeven. Voor Indië, waar de zaak een zooveel grootere realiteit bezat, zou dit een ernstige leemte zijn geweest. Principieel verschil van opvattingen evenwel bestond de facto daarbij niet en waar zoodanig verschil zich evenmin voordeed bij de overige amendementen — de juistheid of onjuistheid daarvan daargelaten —, welke amendementen alle van bijkomstige of redactioneele strekking waren, mocht terecht dus gesproken worden van een niet aanwezig zijn van principieele verschillen tusschen Regeering en Volksraad.

2) Handelingen a. v., blz. 361-363.

Sluiten