Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

ter door zijn arbeid een groot en nuttig werk zou hebben verricht, wanneer het ontwerp door de Kamer zou zijn goedgekeurd.

[denburg. Het woord was daarna aan het lid der Kamer den oud-Gouverneur-Generaal Idenburg i). In een zaakrijke rede behandelde deze spreker het vraagstuk der Indische bestuurshervorming en de wetsvoorstellen der Regeering.

In breede trekken gaf de Heer Idenburg in de eerste plaats een historische uiteenzetting van de beteekenis van het Regeeringsreglement van Nederlandsch-Indië, zooals dit in 1854 werd vastgesteld, en van de geleidelijke ontwikkeling der staatkundige beginselen ten aanzien van de bestuursvoering aldaar, bij welke meer en meer, vooral sinds het begin van deze eeuw, in ambtelijke en niet-ambtelijke kringen het gevoel van ernstige behoefte aan decentralisatie op den voorgrond trad.

Aan die behoefte werd, zooals spreker in het licht stelde, sedert jaren reeds te gemoet gekomen door ambtelijke overdracht van bevoegdheden en plichten op de Departementshoofden en de gewestelijke en plaatselijke bestuurders. Hoever men daarmede kon en wilde gaan, was feitelijk een quaestie van vertrouwen. Decentralisatie in den vollen zin was het echter daarbij niet, doch slechts een verschuiving uit het centrum. Bij den Gouverneur-Generaal bleef de verantwoordelijkheid. Natuurlijk was dit in groote mate theorie, maar wèl was de Gouverneur-Generaal verantwoordelijk voor de mogelijkheid, dat de aangevochten bestuurswerkzaamheden op een bepaalden tijd door bepaalde personen waren verricht. De grens van de overdracht werd voorts uit den aard der zaak mede beheerscht door de uitrusting van het betrokken gewestelijk of plaatselijk bestuursorgaan.

Hoe onmisbaar die ambtelijke decentralisatie dan ook was, men voelde dat zij inderdaad niet kon brengen die vermindering van taak in het centrum en die betere behartiging van de belangen, meer aan den buitenomtrek gelegen, welke verlangd werden. Dit kon alleen komen als gedecentraliseerd werd op organen met een eigen bestaan, een eigen wil en een eigen verantwoordelijkheid, derhalve op autonome lichamen, en de drang naar die decentralisatie bleef bestaan.

De door spreker in den aanvang zijner rede geschetste wijziging

>) Handelingen a. v., blz. 363-368.

Sluiten