Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE EERSTE KAMER

van het koloniaal politiek inzicht had, gelijk hij deed uitkomen, nog andere gevolgen gehad, ontwikkeling namehjk in het binnenland van groote financieele en economische belangen van particulieren aard, gepaard met vestiging aldaar van personen, die zeer geïnteresseerd waren bij het bestuur en te recht meenden, zich daarover ook een gegrond oordeel te kunnen vormen. En daarnaast veranderde vooral in latere jaren op zeer zichtbare wijze de mentaliteit van een deel der Indische bevolking. De doorwerking van het zich steeds uitbreidend, op Westersche leest geschoeid, onderwijs opende voor een deel der bevolking andere perspectieven; de zending, waar die voet kreeg, verruimde op ongewone wijze den gezichtskring; het veelvuldig contact met Europeanen riep bij de bevolking een geest van critiek wakker.

Wat elders in de wereld en speciaal in Azië geschiedde, opende de oogen voor tot dusver ongedachte mogelijkheden en zoo zag men, onder den invloed van het zich natuurlijk vormend maar ook wel kunstmatig gekweekt vereenigingsleven, een steeds toenemende vraag ontstaan naar medezeggenschap van de Europeesche en Inlandsche ingezetenen in de zaken van het bestuur. Decentralisatie en medezeggenschap, dit waren, zei spreker, de twee groote staatkundige wenschen, die in de latere jaren meer op den voorgrond waren gekomen.

In het begin van deze eeuw ontmoetten die twee elkaar in de decentralisatie-wetgeving van 1903, waarbij de mogelijkheid werd geschapen om geldmiddelen af te zonderen ten behoeve van gebiedsdeelen, aan welke zekere autonomie werd toegekend en die daartoe werden bestuurd door locale raden. Die wetgeving had veel goeds gebracht. Het was mogelijk — zeide spreker —, dat een steeds goede toepassing de voordeelen van die wetgeving nog grooter had kunnen doen zijn, maar hij ging toch niet zoover als Mr. Mendels dien ochtend was gegaan, die meende dat op die basis eigenlijk ook nu wel voortgebouwd kon worden. Misschien zou dit met een ruime interpretatie mogelijk zijn geweest, maar dan had men toch wel zeer veel moeten in-interpreteeren. En nu men meende, dat op een zeer van den tot nu toe gevolgden weg afwijkende wijze moest worden te gemoet gekomen aan den wensch van decentralisatie en medezeggenschap, kon spreker het toejuichen, dat de Minister zich (niet) had gehouden aan de voor dat doel min of meer gebrekkige wetgeving van 1903 en dat hij ook

Sluiten